Virologica

De komst van het Virus heeft heel wat teweeggebracht in ons land. Dat is begrijpelijk, want het gaat hier niet om een griepje, zoals virustwijfelaars ons willen doen geloven. Het vermaledijde stukje RNA gaat veel verder dan dat. Het tast niet alleen onze luchtwegen aan maar, naar  recentelijk is gebleken, ook ons vermogen tot logisch nadenken. 

Dat leidt tot niet altijd goed te begrijpen adviezen. Zo mag een ouder niet komen kijken bij de wedstrijd van zijn kind dat bij de mini’s voetbalt, maar mogen mensen zich wel massaal verdringen op Black Friday en valt een vlucht naar Curaçao, viraal gezien, niet meer onder internationaal vliegverkeer. Zo adviseert de GGD in Amsterdam dat kinderen samen mogen dansen, maar ben je 13 of ouder, dan mag je er, als je tenminste niet tot hetzelfde huishouden behoort, niet bij zingen; ben je boven de 18 dan mag je alleen buiten dansen en moet je het bij neuriën houden, tenzij  je danspartner dezelfde voordeur heeft want mag je daar wel weer binnen meedansen – mits je er niet bij zingt natuurlijk en tenzij het in een kerk of moskee is. Ik vermoed dat er nu wordt gewerkt aan een wet waarin staat wat je voortaan wel en niet mag zingen. 

Gelukkig hebben we onze regering nog. Weliswaar hadden ze  ons in januari met stelligheid bezworen dat het allemaal reuze mee zou gaan vallen met dat virus (vergissing, kan gebeuren)  en wisten ze kort nadien te melden dat het virus in ons land zeker geen voet aan de grond zou gaan krijgen (nou ja, voortschrijdend inzicht en zo). Weliswaar had Grapperhaus iets te uitbundig gefeest (ach ja, komt in de beste families voor). Weliswaar  hadden ze kort geleden nog geprobeerd om gezichtsbedekking strafbaar te stellen (toegegeven, daar was het dan misschien net even misgegaan, soit) en bleek het preventief  opsluiten van bejaarden toch niet zo heilzaam als gedacht (inschattingsfoutje, kan de beste overkomen). Maar in september lieten onze minister en hoofd van het RIVM ons dan toch geruststellend weten dat het dragen van mondkapjes een totaal zinloze bezigheid was, die dan ook niet werd aangeraden. Nee, het was zelfs beter om die ondingen helemaal niet te gebruiken. En omdat de regering altijd weet wat goed voor ons is (oké, soms even niet, maar dat zijn incidentjes) ging het van hop! Weg ermee. Inmiddels echter is diezelfde overheid geheel bekeerd en heeft opnieuw de oplossing. Nee, nu écht: mondkapjes en niets dan mondkapjes zult gij dragen! 

Kwaliteitseisen worden er overigens gelukkig in het geheel niet aan die dingen gesteld, dus men maakt het ons niet moeilijker dan nodig is. Het maakt dan ook niet uit hoe en waarvan ze gemaakt zijn. Dus ging ik aan de slag met satijn, katoen, vitrage en kippengaas, liet mijn fantasie de vrije loop en knutselde er tijdens een gezellige bijeenkomst met een tiental vrienden lustig op los. Er is door de minister van Huisvlijt zelfs een heuse knip- en plakinstructie op de website van het ministerie gezet zodat je ook je eigen patroontje voor je gezicht kunt fröbelen. Ze werken dan wel helemaal niet, zoals blijkt uit onderzoek gepubliceerd in vooraanstaande medische vakbladen, maar dat was niet meer dan een flauw intermezzo: die jongens hadden natuurlijk helemaal niet begrepen waar het om gaat. En juridisch schijnt het ook al niet te kunnen, blijkens het oordeel van de Nederlandse Orde van Advocaten die de regeling afbrandde, maar die juristen weten natuurlijk ook niet waarover ze het hebben. Nee, dan doet onze regering het een stuk beter. 

En daar zit ik dan, vol trots met mijn zelfgemaakte trendy mondkapje. Het zit niet heel lekker maar als je er wat aan plukt of gewoon je neus vrij houdt, valt het best mee. Soms  zakt het ook wel eens wat scheef, maar met wat schuiven en trekken zet je het weer goed. En kom op zeg, af en toe gun ik mezelf net als alle anderen ook even een kaploos moment.  Want hoewel het kapje verplicht is, geldt deze verplichting natuurlijk niet als ik even een sigaretje wil opsteken. Dan stop ik  het kapje gewoon even in mijn broekzak bij mijn zakdoek, steek ik een peuk op en kan ik even frisse lucht ademen. Het is allemaal zo logisch – en het werkt geweldig. Dit exemplaar houd ik, want ik ben niet ziek geworden in die drie weken dat ik dit kapje draag. 

Blogdo©

Hokjesdenken

Wie de krant -of een willekeurig ander nieuwsmedium-  er op naslaat kan er niet om heen: corona domineert het debat. Elke begint dag een brij van cijfers waar ieder naar believen zijn eigen conclusies uit trekt. Dan de duiding van die cijfermassa – want met het creatief gebruik van grafieken en tabellen is immers elke mening naar eigen goeddunken te stutten of te ondergraven. Daar moeten we dus een weg in vinden en wij laten ons graag leiden door mensen die het, anders dan wij stervelingen, allemaal wél weten. 

Opvallend is dat de wereld inmiddels opgedeeld lijkt te zijn in twee kampen. Laat ik ze voor het gemak de gelovigen en de ongelovigen noemen. Wie gelooft, heeft vrees en ontzag voor het virus, dankt de hemel voor de aardse voorzienigheid die Regering heet, en zet bij het opstaan nog vóór het tandenpoetsen als eerste een mondkapje op. De afvalligen onder ons daarentegen lijken allemaal te kunnen worden geschaard in de categorie van de zogenaamde Complotdenkers, een groep paranoïde paradijsvogels die in hutjes op de hei leven, zich met aluminiumfolie omwikkelen om zich tegen zendmasten te beschermen. Mensen die denken dat het virus door satanische buitenaardse wezens over de aarde is gestrooid om vervolgens door Google en consorten te worden gebruikt om hun microchips via vaccins bij de wereldbevolking in te brengen en wier sinistere boodschap zich sneller over de wereld verspreidt dan het virus zelf. Ziedaar een overzichtelijke indeling van de mensheid: gemak immers dient diezelfde mens. 

Wat in deze discussie ondergesneeuwd raakt is het feit dat deze indeling geen recht doet aan de realiteit van de discussie. Velen zijn oprecht bezorgd om bijvoorbeeld de gevolgen van de ingrijpende maatregelen voor de maatschappij nu en in de toekomst of vragen zich af wat de gevolgen zijn van sociale deprivatie die zich inmiddels niet meer beperkt tot het bejaardenhuis. Wie het lef heeft om vraagtekens te stellen bij het staande beleid (‘Hoe nuttig zijn mondkapjes als ze aan geen enkele kwaliteitseis hoeven te voldoen? ‘Kun je de lange termijn-effecten van een vaccin wel binnen een half jaar vaststellen?’) kan doorgaans niet rekenen op veel begrip voor deze kritische houding en ontmoet meestal weinig medestanders. Dat komt niet omdat er zo weinig mensen vragen hebben, maar omdat velen bang zijn om voor hun visie uit te komen. ‘Doe mee en stel geen vragen!’  lijkt het devies: fnuikend voor een open samenleving waarvan het weefsel wordt gevormd door het vrije debat. Waar dat toe leidt hebben we gezien met de eerste Coronawet, een juridisch gedrocht waarmee minister de Jonge in één klap een aanzienlijk deel van de democratie en grondwettelijke rechten van haar burgers als kwalijke excreta door het riool probeerde te spoelen. Waren daarbij geen kritische vragen gesteld, dan waren we nu een flink stuk richting een totalitaire staat opgeschoven. Maar Nederland heeft geen behoefte aan een Kim-il de Jonge. 

Het is bijzonder en ook verontrustend om te zien hoe doorgaans weldenkende en redelijke mensen plots de grootste moeite blijken te hebben met een gezonde,  open en respectvolle discussie zodra het gaat om de vraag hoe wij ons verhouden tot corona. Voor- en tegenstanders staan lijnrecht tegenover elkaar en wie vragen stelt hoort in de ogen van velen bij het complotkamp – of is op zijn minst egoïstisch en onverantwoord bezig. Het is te hopen dat het geluid van redelijke en weldenkende mensen als Rudi Westendorp en Marli Huijer breed aandacht krijgt, zodat de polarisatie uit het debat verdwijnt en we gaan nadenken over wat we nu daadwerkelijk belangrijk vinden voor onszelf en de wereld die wij aan onze kinderen nalaten.

Blogdo©

Dokter Trump

In tijden van pandemie zijn landen en volkeren in verwarring, stuurloos en ontredderd. Meer dan ooit is er dan nood aan leiders die de dolenden doortastend en wijs langs de gevaren weten te laveren. In Nederland hebben we daarvoor onze immer goedlachse premier. Ingefluisterd door zijn uitbraakdeskundigen zet hij het land op slimme wijze op slot waarbij hij  -hoe Nederlands- toch her en der nog een kiertje open laat. Kinderen mogen weer spelen en krijgen en passant les in praktische meetkunde, want houd die 150 centimeter maar eens in de gaten als je tikkertje gaat spelen. De kapper moet nog even wachten, de tandarts mag wat dichterbij komen en kan zijn inkomstenbron weer gaan aanboren. In andere landen gaat het er minder genuanceerd aan toe. De Braziliaanse president bijvoorbeeld vindt dat het maar eens over moet zijn met die onzin, want het treft alleen bejaarden en die leveren toch niets meer op.

Dit soort dubieuze types kan voor een oplossing wellicht te rade gaan bij vriend en geestverwant Trump, die het presteert om de ene onbenullige stommiteit na de andere uit te kramen. Maar gisteren maakte hij het nog bonter met zijn welgemeende adviezen aan de medisch onderzoekers. Weliswaar was hij geen dokter, zo sprak hij voor de broodnodige verduidelijking, maar hij was naar eigen zeggen daarentegen wel gezegend met een hele goede ‘you-know-what’, waarbij hij veelbetekenend met zijn vinger naar zijn voorhoofd wees. Nou ken ik dat gebaar nog wel uit vroeger tijden om aan te geven dat iemand niet goed bij zijn hoofd is en vond ik het gebaar op zichzelf dan ook zeer toepasselijk, maar ik vrees dat Trump hier een geheel andere boodschap wilde geven. 

Wat was het geval? Kort tevoren had een ambtenaar van het Home Security Centre een update gegeven van onderzoek waaruit blijkt dat diverse desinfectie- en  schoonmaakmiddelen, waaronder bleekmiddel, het virus snel doden op niet-poreuze oppervlaktes zoals deurkrukken. Handig weetje bij het schoonmaken, wilde hij maar zeggen. 

Niet gehinderd door ook maar de geringste kennis van zaken -en vooral niet door een gezond ‘you-know-what’- wist Trump zijn geheel eigen vertaling van de onderzoeksbevindingen te maken. Met zijn onnavolgbare brein maakte hij onmiddellijk de vertaalslag  naar een praktische medische toepassing en suggereerde hij dat het heel zinvol zou kunnen zijn om dit soort middelen bij mensen te injecteren. Want, zo verklaarde hij voor de minder begaafden onder ons die de details niet meteen allemaal even snel doorzien hadden: het doet immers ‘a number of things’ in je longen. Kijk, dat is nog eens een heldere uitleg en dan snap je tenminste hoe het werkt, op moleculair niveau.

Trumps suggestie is natuurlijk van een niet meer te bevatten stupiditeit. Het meest sneue in deze vertoning is niet zozeer de totaal overbodige disclaimer dat hij geen medicus is -de hemel beware ons!- maar dat de stakker kennelijk inderdaad in de veronderstelling leeft dat hij over een uitstekend functionerend brein beschikt. Deze aanname moet worden aangemerkt als een van de grootste misvattingen van het laatste millennium: stompzinniger dan dit advies kun je het werkelijk niet bedenken. 

Stel je nou eens voor. De patiënt komt hoestend en met ademnood bij zijn arts, die de diagnose corona-infectie stelt. Geen nood, want de dokter heeft gelukkig net college gehad van professor Trump die hem heeft bijgepraat over de laatste stand van de medische wetenschap en deze feilloos heeft vertaald naar de bruikbaarheid daarvan in de medische praktijk. Dus haalt de dokter de fles bleekmiddel die hij net uit de schoonmaakkast gehaald heeft,  volgt nauwkeurig de instructies (contact met de huid vermijden), neemt zijn injectiespuit, trekt wat van het spul op en terwijl het bijtende zuur zijn injectiespuit wegvreet spuit hij de nietsvermoedende patiënt een millilitertje of tien van de zwaar etsende vloeistof in zijn bilspier.

Je kunt je voorstellen wat er gebeurt. Het zuur vreet zich een weg door de weefsels en veroorzaakt binnen enkele minuten een dramatische ontstekingsreactie. Het weefsel wordt binnen de kortste keren onherstelbaar beschadigd, sterft af en tenslotte ontstaat er een daverende infectie in het necrotisch geworden gebied. En dan hebben we het nog maar over een injectie in een spier. Mogelijk wil onze charlatan het ook nog wel in een vat laten spuiten, daarmee vermoedelijk een onmiddellijk doodvonnis over de patiënt uitsprekend.

Pandemieën zijn gevaarlijk, want er worden veel mensen ziek en sommigen gaan zelfs dood. Maar ze zijn niets bij het allergrootste gevaar: peilloze domheid, ridicule zelfoverschatting en een totaal gebrek aan zicht op de eigen beperkingen. Met zo’n man aan het roer heb je geen pandemie meer nodig om de mensheid naar de verdommenis te helpen. 

Blogdo©

Grandpa’s garden

Zuid-Afrika, de reisblogs – deel 19

Via een collega die we kenden van het ziekenhuis in Mpumalanga kregen we wat aanbevelingen voor ons verblijf in Swaziland. Onze omzwervingen leidden naar een enorme Swazische farm met de oppervlakte van een flink dorp. Ergens aan de rand van het immense gebied zetten we onze daktent op.

We besloten de eerste ochtend te beginnen met een verkenning van het gebied, en stuitten al snel op een provisorisch op een paaltje getimmerd, knoestig en verweerd houten bordje dat ons de richting aangaf met het nieuwsgierigmakende handbeschilderde opschrift ´Grandpa´s Garden´. Het is doorgaans lastig om een dergelijke bewegwijzering te weerstaan omdat zij de onverholen suggestie in zich draagt dat zij ons terug zal brengen naar een verleden waarin alles nog klopte, vredig en mooi was. Nieuwsgierig naar wat voor tuintje Grandpa had aangelegd, volgden wij dan ook de richting die het bordje ons aanwees.

De aanwijzingen leidden ons over een smal, met sappig groen gras bedekt pad, omzoomd door uitbundig groeiende struiken en bomen. Het pad was vrij aardig onderhouden -vermoedelijk was Grandpa in zijn nadagen niet meer zo vlot ter been- waardoor het een intrigerend contrast vormde met de omringende hoge en dichte begroeiing, een soort klein regenwoud dat ons steeds meer omarmde en omhelsde, alsof de aarde zelf ons wenkend uitnodigde en opnam in de warme zachtheid van haar groenfluwelen armen. Overal om ons heen verrezen majestueuze bomen. De ruimtes daartussen waren volledig opgevuld met fijnbebladerde takken van klimmend, klauterend en kronkelend struweel dat zich, nadat het eenmaal haar weg omhoog gevonden had, weer neerwaarts liet hangen, alsof het tot de ontdekking was gekomen dat er eigenlijk niets boven beneden ging. Weer andere bosbegroeiers lieten hun meterslange luchtwortels melancholisch neerwaarts hangen, lange slierten samengeklitte haren van een nonchalante hippie. Enorme palmbomen torenden boven de andere bomen uit en de immense afgestorven bladeren die zij hadden laten vallen lagen over de takken van andere bomen als grote sierlijk gedrapeerde tapijten, geduldig drogend in de ochtendzon. Zelfs vergankelijkheid was hier nog mooi en sierlijk. 

We liepen verder op zoek naar grootvaders tuintje. Na enkele kilometers waarin we ons verbaasden en verwonderden over deze prachtige idylle, verborgen in de bossen achter de farm, schijnbaar onbetreden en onaangeroerd, vroegen we ons af waarom de tuin zo ver weg lag. Moest Grandpa elke keer als hij snijboontjes, een pieper of bietje wilde oogsten deze tocht afleggen? Was de tuin misschien met opzet zo ver weg aangelegd opdat opa zijn dagelijkse rondje kon maken? Of wilde men van grootvader af zijn en stuurde men hem er nu en dan op uit, in de trant van : “pa, ga jij maar eens een kropje sla halen”, waarop men weer voor een paar uur van de oude man verlost was?

We passeerden een waterpoel. Hoog opschietend riet had de plas nagenoeg geheel in bezit genomen. Wevervogeltjes vlogen af en aan naar hun nestjes, prachtige ronde bolletjes van kleine takjes, met uiterste zorg voorzichtig gevlochten tussen de fragiele toppen van het riet. Af en aan vlogen zij, heen en weer fladderend, druk bezig om hun onderkomens voor te bereiden voor de leg in deze perfect gevormde stulpjes, bijeengehouden door vier, vijf slanke rieten stengels welke, de toppen welwillend naar elkaar toe neigend als in een permanente eerbiedige buiging voor zoveel bouwkundig vernuft, de fundamenten vormden van woninkjes op flinterdunne palen.                                                          En verder gingen we, speurend verder, naar de steeds mysterieuzer tuin. Plots stonden we stil, we keken naar het overige riet, dat duizenden parallele verticale lijnen vormde; een enorme goudbesnaarde harp, oranjegeel wiegend in de ochtendzon. We hoefden niets te zeggen, want de menselijke stem heeft een wonderlijke maar nuttige eigenschap: ze herkent belangrijke momenten, als woorden de boodschap tekort zouden doen, als ze even niet voorradig of eenvoudig ontoereikend zijn. Dan, op die bijzondere momenten, draagt ze haar taak tijdelijk over aan de rest van het lichaam, nemen gebaren haar taak als vanzelf over, de woorden vormend die de stem niet had. Dit was zo’n moment. Als jongverliefden hielden wij elkaars hand vast en elkaars adem in om maar niets te verstoren terwijl we zagen hoe de hoog en laag in het riet hangende ronde nestjes de noten vormden van de melodie die door de zachte bries doorheen de rietsnaren werd gefluisterd. 

De boodschap van Grandpa was voelbaar, want soms hebben woorden geen geluid nodig. Hier liepen we samen, al die tijd zoekend midden in de tuin, terwijl de boomkruinen hun lange haren op het ritme wiegden en we luisterden naar de veelbetekenende tekst van het rietsnaren lied. Een wevertje wiekte voorbij. Heel even zag ik zijn knipoog. 

de hoog en laag in het riet hangende ronde nestjes vormden de noten van de melodie

Coronaria

Momenteel zijn er eigenlijk geen andere onderwerpen, maar ik vertel het toch voor de zekerheid. Gewoon, voor wie het nieuws gemist of gewoon even niet opgelet heeft: momenteel waart er een virus over de wereld, en wel een van de onsympathieke soort. Made in China, zo wordt gefluisterd, maar inmiddels heeft het van daaruit toch de weg naar onze streken gevonden. Eerst dacht ik dat het allemaal wel zou loslopen, maar toen Trump enkele weken geleden zei dat het reuze meeviel werd ik pas echt ongerust, want die man zit er per definitie goed naast. Het C-woord gaat als een ongrijpbare geest door Nederland en de wereld. En zoals dat altijd gaat bij pandemieën: in no time lag er een crisisplan. 

Nou hebben die virale rakkertjes legio nadelen, maar wat ze daarnaast ook teweegbrachten is een ongekende cohesie binnen en tussen de zorgverleners. Nog voor het virus zich twee keer gerepliceerd had was er een dagelijks crisisberaad in ons centrum, een noodpraktijk geregeld, ingericht en in de lucht, lag er een schema voor de bemensing en waren de taken verdeeld. Kortom: zo’n virus zoekt niet alleen je zwakke kanten, maar haalt tegelijk ook het beste in ons naar boven. Alle huisartsen in de stad functioneren binnen enkele dagen zonder morren als één virtuele praktijk – en het werkt. 

In een vlaag van doodsverachting heb ik aangeboden om als eerste voor enkele dagen de ‘besmette’ praktijk te bemannen. De instemming hierover kwam opvallend snel en unaniem en dat is natuurlijk altijd verdacht. Wellicht dacht men dat het verlies van deze dokter nog wel te dragen zou zijn, wat vermoedelijk ook pijnlijk waar zou zijn. Maar goed, per slot zal toch iedereen een keer de klos zijn, dus hees ik mij vandaag in een soort hermetisch vacuum pak dat je van top tot teen van de buitenwereld afsluit. Knap virus dat daar nog doorheen weet te dringen. 

Maar het vergt wat acrobatiek en dat ziet er dan ongeveer zo uit. Je trekt eerst een gele overall aan. Waarom die nou geel moet zijn is onduidelijk, want het is een kleur die eigenlijk nergens naar verwijst, die niet geruststelt en evenmin steriliteit of vertrouwen uitstraalt. Want let wel, je moet het psychologisch effect van kleding niet uitvlakken. In de tijd dat de witte jassen het veld moesten ruimen kelderde het vertrouwen in de dokter net zo hard als de aandelen nu, en ik ken collega’s die nu nog met heimwee terugdenken aan de tijd dat je alleen die outfit maar aan hoefde te trekken en je had het vertrouwen van je patiënt al gewonnen, iets wat nu veel meer voeten in de aarde heeft en dat maakt het vak er niet gemakkelijker op. De functie van dat geel is kortom niet duidelijk, temeer daar het maar vrij matig combineert met het stemmig sputumgroene interieur van onze praktijk. 

Dat geheel dan moet achter de rug aaneengebonden worden met een tweetal touwtjes dat ontspruit aan de buikzijde van de overall. Die moet je  achter je rug om vastmaken, wat geen sinecure is en waarvoor je dan weer een collega nodig hebt, die dat in de praktijk met liefde en een vaste hand doet, want we zijn per slot, zeker in pandemische tijden, ter aarde om elkaar te helpen. In de noodpraktijk echter ben je alleen, en wie wel eens geprobeerd heeft om twee gele touwtjes op zijn rug in een nette knoop te leggen weet dat dat je met wat pech al gauw zo’n twintig minuten en een schouderluxatie kost. Als dat klaar is zakken vervolgens de schouderstukken van de overall af, want bij de nek zitten dan weer geen touwtjes. Om te voorkomen dat je als het ware topless aan je spreekuur begint moet je daar  iets op improviseren. Het bijeenbinden van de achterflappen lijkt een oplossing, maar dan worden de mouwen omhoog getrokken en dus korter waardoor er een stuk pols bloot komt te liggen tussen de mouw en de handschoenen, een porte d’entrée waardoor een heel regiment virussen tegelijk naar binnen kan marcheren. Wat op zich op te lossen is door de gehele dag met opgetrokken schouders te blijven rondlopen, waarmee de drager een zekere hopeloosheid uitstraalt die dan wel weer passend is in deze tijden. Het is wat behelpen, maar dan klopt het plaatje ook wel weer. 

Het geheel wordt vervolgens gecompleteerd met een mondmasker dat naar voren toe zo taps toeloopt dat ik er uit zie als een soort Donald Duck, zodat ik toch weer blij ben met het gele pak, want leg blauw maar weer eens uit in deze regio, zo kort na de carnavalstijd. De elastiekjes van het masker moeten zodanig worden bevestigd dat je haar alle kanten op piekt en je oren in flapstand worden gepositioneerd. Tot slot hoort er een bril bij, want die virussen zijn natuurlijk ook niet achterlijk, weten al die obstakels op kloeke wijze te vermijden en hebben het dan gemunt op je ogen. Die houden we bij voorkeur virusvrij, en daarom is het een soort aquariummodel met dichte zijkanten. Uiteindelijk ben je dan een soort ruimtemannetje geworden. En zo kunnen dan alle patiënten die koorts hebben en benauwd zijn in deze outfit veilig en virusvrij gezien worden. 

Een 78 jarige man met een chronische longaandoening en koorts kan gelukkig nog net met een stevige shot prednisolon van zijn bronchitis af geholpen worden. Er passeert een echtpaar met koorts. De vrouw is er redelijk aan toe en de man wuift zijn klachten eveneens weg. Maar na het beluisteren van ‘s mans longen en wat verder onderzoek moet ik hem overtuigen: hij moet echt acuut opgenomen worden en ik vrees dat dat niet op de gewone afdeling gaat zijn. Zijn echtgenote is in tranen, de man merkt nog stoer op dat het niet nodig is, maar heeft een kwartiertje later toch moeite om zonder hulp op de brancard te klimmen. En terwijl de ambulance wegrijdt hoop ik dat zijn vrouw een dag later niet zijn lot zal volgen. Ik besluit haar eigen huisarts even te bellen: misschien moet zij morgen toch even poolshoogte gaan nemen bij zijn patiënte. Er volgt nog een lange rij met patienten waarvan hun arts een ofwel zelf een corona-verdenking heeft, ofwel die verdenking bij de patiënt zelf niet heeft kunnen wegnemen, want corona-angst is ook een last voor velen. Er is veel angst bij de patienten en machteloosheid bij de dokter. 

De dag eindigt met een bezoek aan een 52 jarige man met een terminale neurologische ziekte. Hij raakt geleidelijk steeds verder verlamd, ik kom er bijna dagelijks en we proberen zijn leven nog enkele maanden te rekken omdat hij zo graag de geboorte van zijn eerste kleinkind nog zou willen meemaken. Hij heeft koorts gekregen en dat is in zijn situatie omineus. Ik vermoed dat hij door verslikken een longontsteking aan het ontwikkelen is, maar hij heeft niet meer de kracht om op te hoesten. Deze man moet eigenlijk beademd worden, maar of dat kan, gezien de capaciteitsproblemen en de slechte prognose, is de vraag. Ik bel mijn collega in het ziekenhuis en leg uit hoe kostbaar het toevoegen van enkele maanden extra aan dit leven voor hem en zijn dochter kunnen zijn. Men is bereid hem te beoordelen om de opties te bekijken.

Enkele uren later is hij weer thuis. Zijn toestand is te broos en hij komt niet meer in aanmerking voor beademing,   Ik zit op de rand van zijn  bed, mijn hand met die vervloekte handschoen -zelden zat dat ding me zo in de weg- rust op haar arm. Het enige dat ik nog kan proberen is gokken dat het niet dat rottige virus is en kijken of een antibioticumkuur hem letterlijk nog lucht kan geven. Ik doseer hoog, het is een wanhoopspoging en eigenlijk  tegen beter weten in.

Aan het eind van de dag mag het pak uit. Ik trek er aan met een flinke ruk, waarin alle frustratie van die dag geconcentreerd is. De gele knoop op mijn rug breekt met een symbolische knak.

Blogdo©

Applaus voor de tandenfee!

In Argentinië is de lijst met cruciale beroepen recent uitgebreid met dat van een sprookjesfiguur: de tandenfee. Kijk, dat vind ik nou getuigen van realiteitszin. Nu de een na de ander door een buitengewoon onsympathiek virus wordt geveld, moeten we zuinig zijn op de meest waardevolle leden van onze maatschappij. Natuurlijk zijn de brandweerman, de verpleegkundige en de politieagent van vitaal belang, maar degene die we écht niet kunnen missen, dat is natuurlijk de tandenfee. In dit deel belichten wij deze functie en interviewen wij Neerlands bekendste tandenfee, mevrouw van Hoek. 

Mevrouw van Hoek, hoe oud is het beroep van tandenfee eigenlijk?

“Ons beroep is heel, heel oud en heeft de tand des tijds gloedvol doorstaan. Paleontologen hebben in opgravingen uit het Pleistoceen fossiele tanden opgegraven die onder kussens lagen en waarvan men vermoedt dat die klaar lagen voor de tandenfee. Men heeft geconcludeerd dat dit het op een na oudste beroep ter wereld moet zijn. 

Interessant, zo’n historische ontdekking. En hoe bent u zelf tandenfee geworden? 

Nou, het is eigenlijk een beroep dat binnen families wordt overgedragen. De zus van mijn moeder, tante van Hoek, was al fee. Ze werd de hoektante genoemd. Als kind wilde ik nog wel eens her en der een melktandje bietsen, dus het zit in feite wel in de genen. Het is een afwisselend beroep: vroeger waren het vooral melktanden, waarvoor je hooguit 25 of 50 cent hoefde achter te laten. Maar tegenwoordig gaan mensen meer voor het grote geld en kun je ook een kies of snijtand tegenkomen, waar je al snel een euro of drie voor onder het kussen moet proppen. En gebitten hè, complete gebitten. Gebeurt ook. Kost me een vermogen: ligt er zo’n prothese onder het kussen met een pinapparaat erbij.

Maar met de dalende aandelenkoersen lijkt het er soms op dat mensen hun verstand verloren hebben. Samen met de bijbehorende kiezen, want de laatste jaren worden de verstandskiezen massaal geloosd. Noodgedwongen dan, want niemand zal daarvoor met zijn volle verstand kiezen natuurlijk.

Aha, dat is duidelijk. En wat maakt het beroep van tandenfee nu zo boeiend? 

Daar kan ik kort over zijn. Ik zeg het altijd maar zo: ‘er is geen mooier métier dan dat van de tandenfee’. 

Juist ja. Nou, dat is onweerlegbaar toegelicht. U staat hoog in de lijst met vitale beroepen in crisistijd. Wat vindt u daarvan?  

Heel vanzelfsprekend. Je kunt in deze tijd geen gat meer laten vullen, laat staan een kroon laten zetten, dus je kunt er donder op zeggen dat die tanden massaal gaan uitvallen. Kijk maar naar de toestand elders in de wereld. Bijvoorbeeld naar mijn Italiaanse collega Chantal Dente: zij spreekt over een kronencrisis (‘una grande crise di corona’). Nee, als er ooit behoefte is geweest aan onze beroepsgroep dan is het nu.”

Het moge duidelijk zijn: de tandenfee staat op de cruciale beroepenlijst, en met reden. Laten we zuinig zijn op onze feeën en hen een hart onder de riem steken. Ik stel dan ook voor om als ode aan de tandenfee morgenavond om 20 uur met zijn allen een kwartiertje te gaan staan klappertanden. Het zal ze goed doen.  

Blogdo©

Verzakking

Rampen komen zelden alleen, en soms is de ene nog niet voorbij of de volgende dient zich al aan en ook nu dreigt dit te gaan gebeuren. Dat gebeurt sluipend, onzichtbaar en ondergronds. Want terwijl het coronavirus een ravage aanricht op menselijk, economisch en sociaal vlak en iedereen zich focust op de bestrijding en preventie ervan, is de volgende catastrofe alweer in aantocht. Onhoorbaar dreigend marcheert zij door ons land. Biologen ontdekten het beestje al meer dan 30 jaar geleden, maar vergisten zich in de soort. Beleidsmakers debatteren druk over de beste aanpak, maar wentelen zich vast in regels en procedures zodat er per saldo niets gebeurt. En niemand die het in de gaten heeft, want deze dreiging zit letterlijk al vele jaren onder de oppervlakte. 

U raadt het al, ik heb het hier over Tapinoma nigerrimum, een Zuid-Europese mier. En niet over zomaar een: nee, het gaat hier over niemand minder dan het mediterraan draaigatje. En dat is me er eentje.

Eind jaren ‘80 gebeurt het: enkele van deze vileine beestjes verstoppen zich – o geniep!-  in bakken met tuinaarde en potgrond en reizen dan als verstekeling met vrachtschepen vanuit het zuiden onze kant op.  De eerste der draaigaten komen aan land. In het holst van de nacht, want zich bewust van hun status als personae non gratae, rennen zij de kade op, en verstoppen zich als stadsguerilla’s onder stenen en tegels. Ze vermommen en gedragen zich achteloos als gewone mieren en weten aldus op slinkse wijze  door de identiteitscontrole der grensbiologen te komen. Eenmaal goed en wel het land binnen marcheren de eerste troepen vastberaden ‘en colonne’ het land in en beginnen het dan stiekem, heel geleidelijk aan, van onderop te ondermijnen – en dat doen zij nog steeds, zij het nu in groten getale. 

De geleedpotige loedertjes zijn inmiddels al tientallen jaren een ongeziene gast in ons land en de laatste berichten melden op alarmerende toon dat het aantal kolonies inmiddels is verdubbeld tot maar liefst 18 – zegge achttien- stuks! Hoogste tijd dus om gezamenlijk in actie te komen tegen die vermaledijde beestjes. Want deze ondiertjes kunnen flink bijten en maken er bovendien een potje van door stoepen, straten en tegels te ondermijnen waardoor Nederland een grote verzakking krijgt en daar zitten we in deze tijd al helemaal niet op te wachten. 

Dat bestrijden valt in de praktijk nog niet zo mee, want ze werken heel goed samen en daar kunnen wij eigenlijk best wel wat van leren. “Ga tot de mieren en word wijs”, adviseert de Bijbel ons in Spreuken 6:6, en dat idee is zo gek nog niet. Zo wordt de verantwoordelijkheid voor de voortplanting onder deze miertjes verdeeld over meerdere dames, die de mannetjes in verleiding brengen met frivole draaikonterij, hen aldus verleidend tot een zodanige vrijzinnigheid en losbandigheid dat deze hen, verblind door lust en begeerte, behandelen als koninginnen die vervolgens als moeders van de kolonie fungeren. Een soort polygamie die wij inmiddels al tijden als obsoleet beschouwen maar daar is in elk geval vanuit mierenperspectief  echt wel wat voor te zeggen. Misschien zijn wij bij nadere beschouwing in de loop der jaren toch wat al te puriteins geworden. Het maakt je in elk geval heel wat minder kwetsbaar en bovendien is het ook nog eens een stuk gezelliger, dus misschien moeten wij daar ook eens wat minder star in zijn en er de Heilige Schrift nog eens op naslaan en wellicht kunnen wij daar nog eens met zijn allen een nationaal debatje over houden, of wellicht een referendum.  

Ook  de onderlinge samenwerking van die rakkertjes blijkt voorbeeldig: iedereen werkt zich het schompes en niemand loopt de kantjes er van af. Een groot deel van de mieren is buiten het nest op zoek naar voedsel en, eenmaal weer thuis gearriveerd, wordt dit keurig verdeeld onder de gehele mierenfamilie. Niks hamsteren. Kom daar bij ons maar eens om in deze barre tijden. 

En zo krijgen ze toch maar mooi heel wat voor elkaar en terwijl wij druk doende zijn ons te focussen op die rottige virussen, breiden die vliesvleugeligen zich gestaag uit, verspreiden ze zich over de de lage landen en doen die onderkruipseltjes met hun gedraai en gegraaf hun best om die nog verder te verlagen. 

Dat moet nu eens voor eens en voor altijd afgelopen zijn met dat gemier. We moeten ons beter voorbereiden op de rampen die komen gaan. Terwijl die beestjes met hun linies ongestoord het ganse land doorkruisen, wordt er op ambtelijk niveau al jaren gesteggeld over de beste aanpak. Iedereen belijdt lippendienst aan de bestrijding, maar verschuilt zich ondertussen achter regels en verordeningen met als gevolg dat er niets gebeurt. Het moet nu maar eens klaar zijn. Laat Nederland niet zakken! 

Blogdo©