Een spoedgeval

Zuid-Afrika- de reisblogs deel 13

Ergens ver in het binnenland, waar de provincie Limpopo allang verruild is voor die van Mpulalanga en het zinderende asfalt is overgegaan in een ‘dirt road’ met diepgekloofde watergeulen en gaten zo groot als een bobbejaankoppie, ligt de kliniek van Hlukuvani. Er komt maar 1x per maand een arts, want zonder een combinatie van ware doodsverachting en een goede 4×4  moet je niet eens overwegen om aan de reis te beginnen. Cliff, de chauffeur van onze organisatie, beschikt over beide en dus rjjdt hij me er heen.

Als ik enkele uren aan het werk ben wordt een spoedgeval aangekondigd. Een  jongedame komt kreunend van de pijn binnen. Ze houdt haar ogen dicht, grijpt met haar handen naar haar buik en wijst naar haar rug en benen. Een zuster komt aanzetten met een een rolstoel waarvan het frame met plankjes, tape en touw bijeengehouden wordt en die er dan ook minstens zo slecht aan toe is als de patiënten die er in vervoerd moeten worden.

De patiënt is aanspreekbaar, maar praat zo zacht dat ik haar gebroken Engels nauwelijks kan verstaan. Ze prevelt iets over zwangerschap, buikpijn, een nierziekte. Ik krijg geen oogcontact, vraag me af waar ik moet beginnen en probeer haar, bij gebrek aan adequate communicatie, dan maar systematisch te benaderen. Een buitenbaarmoederlijke zwangerschap moeten we hier in de periferie liever niet hebben. Eerst maar de vitale functies nagaan. Ze ademt wat snel. Geen koorts, geen shock, niet zwanger. Ik zoek wat materialen en als ik me weer omdraai is haar gezicht verborgen achter een zuurstofmasker – een goedbedoelde maatregel, maar wel een die me mijn laatste mogelijkheid tot communicatie ontneemt. Ze had een goede zuurstofverzadiging, dus ik haal het masker weg; de meter geeft geen verandering aan. Die zuurstof heeft ze niet nodig. 

Na haar helemaal nagekeken te hebben concludeer ik dat ik weinig aanwijzingen heb voor een acuut probleem, al had ik  liever wat meer diagnostische mogelijkheden gehad. Maar wat is die nierziekte? Mensen kennen hier zelden hun eigen diagnoses. Het kreunen gaat onvermoeibaar door, de ogen gesloten, ook nadat ik haar een pijnstillende en kalmerende injectie gegeven heb. 

Is het toch een psychologisch fenomeen? Dat zou goed kunnen. Maar ik ben hier inmiddels genoeg verrast door de meest exotische aandoeningen om te weten dat ik op mijn hoede moet zijn. We bellen een ambulance om haar verder te laten onderzoeken in Tintswalo. Het is dan bijna 12 uur. 

Ik keer terug naar het spreekuur. De volgende patiënt komt moeizaam lopend binnen. Ze is gekleed in een soort sarong die de sporen van langdurig en intensief gebruik draagt. Om haar middel draagt ze een rafelig koord. Stevig ingebakerd in een groezelig laken dommelt een peuter ontspannen op haar rug, de voetjes ter weerszijden van haar flanken bungelend. Kleine zwarte teentjes met roze nageltjes wijzen vanuit uit felblauwe sandaaltjes mijn kant uit. 

De vrouw heeft pijn aan haar voet vertelt ze, terwijl ze op mijn gebaar de onderzoekbank beklimt. Ze trekt haar versleten schoen uit waarvan de veters ontbreken.

Een gekko schiet in paniek door een scheur in de muur naar buiten als de geur van ontbindig onmiddellijk de kleine bedompte kamer tot in haar talrijke hoeken en spleten vult. De typische bitterzoete indringende lucht van ontbindend weefsel. Het kadaver van een muis die te lang onopgemerkt achter de kast is blijven liggen, een wond, te lang verwaarloosd, waarvan de maden bezit genomen hebben, de rottende walm bij het openen van een blik gefermenteerde vis. Het is de geur van verval, van verrotting. De geur die de dood als onafscheidelijke metgezel op de hielen volgt als een kleverige bruidssluier na het voltrekken van de eeuwige verbintenis die volgt op het aardse bestaan. 

Ik voel mijn gezicht vertrekken in een onwillekeurige grimas, want bij walging gaat je mimiek haar eigen gang. Een dikke geleiachtige massa geelgroene pus bedekt de helft van de voet. Ik vraag haar hoe lang ze al last heeft van deze ontsteking. ‘Een half jaar’, luidt het antwoord. Inmiddels kijk ik er niet meer van op. Voor deze mensen zijn er soms andere prioriteiten en ik ben vooral blij dat ze er nu in elk geval wel is. Ik zoek wat gazen en water om de wond te reinigen.

Uit de kraan komt geen water. Buiten in het hoge gras staat een grote tank met een tapkraantje, maar die staat te ver weg en mogelijk is ook die leeg. Ik pak het flesje water dat ik voor de lunch had meegebracht en bevochtig enkele gazen. De geelgroene drab laat zich lastig verwijderen en trekt lange stinkende draden, glibberig en klevend als het rag van een enorme spin. Nadat ik heb vastgesteld dat ze geen koorts, HIV of diabetes heeft, concludeer ik dat dit probleem vermoedelijk is begonnen met  een eenvoudige schimmelinfectie die door verwaarlozing zodanig uit de bocht gevlogen is dat er een uitgebreide secundaire bacteriële infectie bovenop is ontstaan. Ik rommel in wat kasten en dozen, vind wat verband en zelfs medicijnen die enigszins lijken op wat ik had willen hebben. Terwijl ik tracht de talrijke gretige vliegen bij de wond weg te houden die elkaar inmiddels verdringen om aan te kunnen schuiven bij deze smakelijk geurige feestdis (wat overigens een hopeloze en zinloze missie blijkt), verbind ik de voet en spreek ik af haar na een week terug te zien. Hierna vervolg ik het spreekuur. 

Het is inmiddels 4 uur als ik daarmee klaar ben en Cliff zich meldt om mij terug te rijden. Als ik op weg naar de uitgang de emergency room passeer, hoor ik daar tot mijn verbazing nog altijd het ritmische kreunen dat ik herken van eerder vandaag. Het is de vrouw van vanochtend, die al meer dan vier uur op een ambulance wacht. 

Ik overleg met Cliff: meer dan 4 uren wachten op een ambulance is wel erg lang. De terugreis leidt bijna langs het ziekenhuis en ik stel voor dat wij de patiënt gewoon zelf meenemen en daar afleveren. Even later rammelen en schudden we, de patiënt liggend op de achterbank, over de met diepe gaten en geulen getormenteerde weg in de  richting van Tintswalo. 

Tot onze verrassing zien we na een kwartier de ambulance onze kant op komen. Cliff weet hoe hier de hazen lopen: als een geroutineerd spookrijder stuurt hij zijn auto naar de andere weghelft en parkeert hem dwars op de weg. De ambulance moet wel stoppen. Verrassend genoeg levert dit verbazing noch irritatie op; kennelijk is dit een gangbare manier om met elkaar in dialoog te geraken. Na een kort en onverstaanbaar overleg rijden de ambulance en wij de zanderige berm in en terwijl een passerende kudde koeien ons ruimhartig in hun midden opneemt wordt de patiënt zonder verdere plichtplegingen rustig naar de ziekenauto overgeheveld. In Afrika is spoed een relatief begrip. 

IMG_20200210_145451

Blogdo©