Op de afdeling

Zuid-Afrika, de reisblogs – deel 5

Het is even zoeken. Feit is dat mijn gevoel voor richting niet optimaal is. Of nauwkeuriger gezegd: ik heb helemaal geen gevoel voor richting. Daar kunnen we moeilijk over doen, maar het is zo. Lastig is het ook, vooral temidden in wat ik vooralsnog ervaar als een labyrinth: de wirwar van gebouwtjes die samen het Tintswalo ziekenhuis in Limpopo vormen. Dus hoewel de afdeling interne geneeskunde vermoedelijk heel dichtbij ligt, moet ik er toch geruime tijd flink de pas in zetten voordat ik, ongetwijfeld met een forse omweg, bij de afdeling arriveer. 

Het is een langgerekt gebouw dat er niet uitziet alsof het recent gerenoveerd is. Langs de vensters hangen rode borden met daarop de oproep om ramen en deuren open te houden zodat het door kan waaien en aldus de kans op besmetting met TBC, dat hier wijdverspreid is, vermindert. Sommige ramen hoeven niet open omdat ze al uit hun sponningen gevallen zijn, bij andere blijkt ook de sponning verdwenen met achterlating van een eenvoudig doch voor het onderhavige doel uiteraard even doeltreffend gat in de muur. Een verlaten rolstoel is stille getuige van de enkele reis die een patiënt bij zijn opname vanaf het Open Patiënt Department  naar de afdeling heeft vervoerd. 

IMG_20200130_161055

Ik vraag me welk verhaal de rolstoel vertelt. Staat zij klaar om de opgeknapte patiënt weer fris en fruitig terug te vervoeren? Of was het echt een enkele reis? 

Bij het gebouw volg ik het pad langs een lange veranda. Binnen zie ik een grote zaal. Een stuk of twaalf gammele bedden bieden een Spartaans onderkomen evenzovele patiënten. De een ligt, de ander zit, een enkeling is verbonden aan de slang van een infuus. Vanuit een hoek klinkt gekerm. Verfbladders wiegen nerveus op het onregelmatige ritme van de heilzame tocht die door de zaal glijdt. Ondanks de enthousiaste oproep tot ventilatie is de onbekende geur onaangenaam en onheilspellend. 

Bij de zusterspost zit een 3 tal dames en een man. De laatste blijkt de nurse. Ik vraag naar het meisje met de meningitis dat gisteren is binnengebracht en informeer hoe het met haar gaat. Er gaat geen lichtje branden, maar na het raadplegen van een indrukwekkend notitieboek dat vrijwel  het gehele bureau beslaat, wordt er een naam gevonden van een jongedame met HIV waarbij gisterenavond nog een ruggenprik is gedaan om de diagnose te stellen. Ze is later die avond aan een vermoedelijke hersenvliesontsteking overleden. Ik weet dat deze ziekte in enkele uren dodelijk kan zijn, maar ben toch even verrast en uit het veld geslagen. We hadden haar toch in een mum van tijd aan de antibiotica gehangen? We kijken nog even naar de aantekeningen in het boek en zien dan dat meisje een dag eerder opgenomen is. Dit is niet de patiënt die ik bedoel. We zoeken verder, maar het blijkt dat het meisje niet te vinden is in het register. We kijken rond op de afdeling en lopen langs alle bedden, kijken op de dossiermappen of we de naam herkennen. Privacy lijkt hier geen issue. 

Het meisje is er niet en de nurse concludeert dat zij hier vermoedelijk ook nooit gearriveerd is. En daarmee is de kous hier af, want hier geldt  onwrikbaar het adagium: het is zo het is. Ik had al vastgesteld dat het hier niet ongebruikelijk is als een uitslag van een lab onderzoek spoorloos verdwijnt of een geheel patiëntendossier onvindbaar blijkt, maar dat ook patiënten zomaar in het niets kunnen oplossen is nieuw voor mij. 

IMG_20200128_124432

We gaan dus maar op zoek naar de andere patiënt die ik heb laten opnemen: de jongeman met de ontregelde  diabetes. Die vinden we zowaar op een bed liggen, het infuus nog in de arm. Hij slaapt en we zien dat hij  er nog niet best aan toe is.

Blogdo©