Van het oog en de naald

Zuid-Afrika, de reisblogs – deel 11

Juist als ik in de auto zit op weg naar de kliniek, komt er een bericht binnen met een foto. Er zijn leeuwen gesignaleerd bij onze huisjes, dus het advies is om even binnen te blijven. Saskia is nog thuis, dus het lijkt inderdaad beter dat ze vandaag niet gaat joggen.  Het was een originele smoes geweest om wat later op het werk te verschijnen, maar goed, ik ben nu onderweg en voor de anderen geldt dus dat ze voorlopig even binnen moeten verpozen. Ik ben kennelijk net door het oog van de naald geglipt. Helaas zal dat vandaag niet zo blijven. 

IMG-20200129-WA0002

De wachtkamer zit vol, het gonst er en het is onrustig. Na een drukke ochtend wilde ik even een boterhammetje eten maar als ik me tussen de wachtenden naar de gang wil wurmen word ik aangeklampt door een man: ‘dokter, ik wacht al de hele ochtend. Kunt u me helpen?’ Het gebeurt vaak, mensen wachten uren omdat het allemaal niet opschiet en omdat je voor alles, voor elke handeling, het halve ziekenhuis moet afstruinen voor de benodigdheden voor lab onderzoek, een röntgenfoto, een formulier of een injectienaald. Het is ontzettend ondoelmatig en duurt eindeloos. Patienten moeten een dag uittrekken voor een bezoek aan de arts en lopen daarbij ook nog het risico dat ze met een kluitje in het riet gestuurd worden en enkele dagen later terug moeten komen, wat opnieuw een dag kost. 

Zo’n wanhopig vragende man, smoezelig gekleed in versleten shirt en gescheurde broek, schoenen zonder veters: die kan ik niet weerstaan. Die lunch kan nog wel even wachten. Ik neem hem mee de spreekkamer in, die ik vanochtend gebroederlijk deel met een Zuidafrikaanse collega. Ik heb de stoel, zij de onderzoeksbank. Je moet per slot ook niet alles voor jezelf willen hebben. 

De man heeft al meer dan een week buikpijn, heeft koorts en is flink vermagerd. Hij is hier vorige week ook geweest, maar met de pijnstilling die hij kreeg is hij niet opgeknapt. Dit is zijn 2e poging om hulp te krijgen en hij zit hier al weer uren. Het verhaal voelt niet helemaal goed. De behandelingen die hier door het lokale personeel  gegeven worden doen de wenkbrauwen regelmatig fronsen en nu deze patiënt eenmaal ‘van mij’ is voel ik me ook verantwoordelijk om hem goede zorg te geven voorzover dat hier kan, want daarvoor ben ik hier. 

Het dossier bevat een deels leesbare aantekening van vorige week waaruit ik opmaak dat hij toen inderdaad vergelijkbare klachten had. Het lijkt me geen griepje. Ik stel wat vragen om een globaal beeld te krijgen en ben vooral gespitst op malaria, tbc, cryptokokken en meer van dat soort ellendige kwellingen en kwalen . Euvelen die ik thuis niet dagelijks op mijn bordje krijg, maar die ik hier overal zie opdoemen. Als beginneling in de tropische ziekten ontwikkel je dan een soort paranoia voor alles wat je eigenlijk niet goed kent, zoals knokkeltjeskoorts, tuberculose in alle denkbare hoeken en gaten van het lichaam of  rickettsia exotica. Een paranoia overigens die ook wel haar nut heeft, want die je beschermt tegen al te blunderige uitglijers. Het lichamelijk onderzoek stelt me niet gerust en ik besluit dat ik wat onderzoek bij de man wil doen. Daar gaan we. Snel loop ik de kamer uit en zoek ik alle spullen bij elkaar. Ik passeer de Emergency Department waar een verwarde zwarte vrouw op een brancard wilde, maaiende bewegingen naar me maakt als ik haar passeer. Net op tijd herinner ik me een les uit mijn jeugd toen ik, geheel tegen beter weten in, wat karatelessen volgde. Veel hadden mijn tegenstanders niet van me te duchten, maar ik was best goed in verdedigende technieken zoals het fluks ontwijken van klappen en ook de kunst van het hard weglopen beheerste ik tot in de puntjes. In dit geval kwam een en ander dan toch weer van pas, kon ik op tijd wegduiken en zo een klap tegen mijn hoofd vermijden.

Als ik mijn boodschappenlijstje afgewerkt heb, wat ditmaal wat vlotter gaat omdat ik in de loop van de ochtend al wat bijeengesprokkeld had, keer ik terug naar mijn patiënt. De nurse komt nog een aantal dossiers brengen en voert de druk nog wat op. Op de achtergrond klinkt het gebruikelijke geschreeuw maar daar let je hier niet op. 

Ik leeg de bloederige inhoud van de spuit in de verschillende buisjes. Wacht, ik moet ook nog een vingerprik afnemen voor een snelle malariatest. Eerst de naald van de eerste prik in veiligheid brengen. Ik zoek vergeefs naar een container voor gebruikte naalden. Die staat uiteraard ergens anders. Juist als ik naar buiten wil lopen om de naald weg te gooien wordt de man niet lekker en valt. Ik vang hem op en kan gelukkig net voorkomen dat hij hard de grond raakt. En dan, als ik de man op de bank leg, gebeurt datgene waar ik steeds zo alert op probeerde te zijn en wat ik steeds probeerde te voorkomen. Ik voel een scherpe steek in mijn vinger en zie  hoe zich een kleine bloedvlek onder mijn handschoen vormt. Terwijl ik de man opving heeft de zojuist gebruikte naald in mijn vinger geprikt. De drie letters schieten door me heen: HIV.

Ik heb geen tijd te verliezen. 

Blogdo©