Het sprookje van de dokter en de koning – deel 2

Enige tijd geleden schreef ik deel 1 van het Sprookje van de dokter en de koning. Recent ben ik tot de ontdekking gekomen dat dit slechts het eerste deel was, want het verhaal blijkt verder te gaan. Niet is dan logischer dan een 2e deel, al spreek ik de oprechte hoop uit dat er geen derde nodig zal zijn.

Wat vooraf ging leest u in deel 1: Als een geheimzinnige ziekte het land in zijn greep heeft, probeert de koning met angst, dwang en een snack de dokter zover te krijgen dat hij zich laat gebruiken voor een snood controleplan. Hoe is het die twee echter nadien vergaan? Heeft de koning zijn macht kunnen uitbreiden? Heeft de dokter zijn rug recht kunnen houden? Dit alles en meer leest u hieronder in het vervolg van het sprookje. 

Na het vertrek van de dokter liet de koning opgelucht zijn gouden karaf bijvullen. De Raadgever zat naast hem. “Daar zijn we mooi vanaf, majesteit!” De Raadgever wist precies wat de koning horen wilde. ”Dokters…”, schamperde de vorst. “Praat me er niet van! Sommigen blijven me aan mijn kop zeuren over moraal en het belang van hun patienten”. “Allemaal flauwekul natuurlijk”, vervolgde hij snel, want hij was liefst zelf aan het woord. “Ze moeten gewoon doen wat ik zeg. Gelukkig stellen de meesten geen lastige vragen. Maar je hebt er een stelletje bij….” Hij kneep zijn lippen tot een smal spleetje en schudde meewarig zijn hoofd. Zijn kroon, rond met uitsteeksels, wankelde. Ze zat de laatste tijd wat minder stevig dan de bedoeling was. 

“Kunnen we niet gewoon zorgen dat die eigenwijze dokters niks meer kunnen zeggen en geen adviezen meer mogen geven?”, opperde de Raadgever (de koning naar de mond praten is altijd goed voor je carrière, zo was al vaak gebleken). De koning was aangenaam verrast. “Dat is geen slecht idee!”, antwoordde hij opgewekt. “Hier, neem nog wat wijn!”. Hij had de goede gewoonte om gul te zijn als mensen zeiden wat hij wilde horen. Onderdanen met andere meningen kon je altijd maar het best de mond snoeren, maar wie gehoorzaamde en geen vragen stelde kon rekenen op een goed glas wijn, een mooie baan aan het hof en nog heel veel meer. De Raadgever liet zijn kroes nog eens vullen. Eigenlijk moest hij aan het werk in de slagerij, want hij had moeite om te voldoen aan de enorme vraag naar gehaktballen. Maar ach, de wijn aan het hof smaakte naar meer. De levering van die gehaktballen kon best even wachten: het geld was binnen en uiteindelijk was dat uiteraard het enige wat telde. Ze proostten triomfantelijk op het succes van hun plannetjes en mijmerden over wat ze nog meer konden bedenken. Nu de angst heerste lag de macht immers voor het grijpen. “We moeten zorgen dat we ook de toekomst in onze greep houden”, mijmerde de koning. De Raadgever knikte, ijverig als altijd. “Ik heb een plan!” riep hij hees. Hij raakte opgewonden bij het vooruitzicht van promotie en verslikte zich haast in een gulzige teug. Met gedempte stem mompelde de Raadgever iets tegen de koning over jeugd, controle en kleine gehaktballetjes. Zijn stem had iets begerigs terwijl hij zijn snode plan ontvouwde. De koning hing aan zijn lippen, net als een druppel bloedrode wijn. 

Ondertussen was het best gezellig in de spreekkamer van de dokter. Hij had er de hele dag met de mensen gesproken. Het was dan ook echt een práátkamer: warme verlichting en lekker zittende stoelen gaven de mensen een gevoel van veiligheid en vertrouwen. Het was misschien wel juist daarom dat hij een dag later zo schrok.

Het was vrijdag, de dag dat de koning zijn wekelijkse bericht aan het volk presenteerde. Op het plein klonk klaroengeschal: de koninklijke heraut zou aanstonds een belangrijke boodschap aankondigen. Naast hem stond de nar: een dommige maar trouwe dienaar met kekke sokken en ogen zo groot als gehaktballen. De nar had de taak om dingen aan de mensen uit te leggen die niet uit te leggen waren. Dat werkte prima, want de nar had zelf eigenlijk ook geen flauw benul van waar het over ging. Voor de koning was hij niet meer dan een nuttige sukkel, want je kon hem werkelijk álles laten zeggen. 

De stem van de heraut baste over het plein. “Natuurlijk is bijna iedereen zo verstandig geweest om een bal te nemen”, loog hij. “En natuurlijk helpen ze geweldig, precies zoals we beloofd hadden”. Hij had geen idee of dit klopte, maar dit was nu eenmaal zijn tekst. “Maar toch…” vervolgde hij, “…echt veilig ben je natuurlijk niet voor die vlekjes, ook niet met een gehaktbal achter je kiezen.” De dokter probeerde vergeefs om het verhaal te begrijpen. “Daarom heeft Uw koning in zijn grote wijsheid een nieuw decreet uitgevaardigd”, vervolgde de heraut. “Vanaf nu maken we ook kleine soepballetjes voor de kinderen. Wees gerust, iedereen komt aan de beurt, maar de meest behoeftigen eerst. De dokters zullen de gelukkigen aanwijzen”.

De dokter stond als aan de grond genageld. De kinderen! Zijn hart sloeg over, zijn keel snoerde dicht en als een donderslag was de buikpijn terug. Nou wist hij wel dat de berichten namens de koning vaak niet klopten, maar in dit geval was de boodschap wel erg onheilspellend. Langzaam drong het tot hem door: de gehaktballen, eerder bij koninklijk decreet uitgeroepen tot de Enige Oplossing voor de rode vlekjes, zouden nu ook in een kinderversie worden uitgebracht. Hij wist wat dit betekende. Of eigenlijk….hij wist het helemaal niet.

Nu was het de beurt aan de nar om de mensen te overtuigen dat de koning wederom de juiste beslissing had genomen. Dat bleek nog niet zo mee te vallen. De nar aarzelde even, want inmiddels begreep hij er zelf ook geen jota meer van. Maar, zo had de koning hem gerustgesteld: dat was ook helemaal niet nodig. Hij moest gewoon precies doen wat hem gezegd werd en zou daarvoor rijkelijk beloond worden. Per slot was dat waar het allemaal om draaide. Hij ging verder. “Er zijn namelijk ook andere soorten vlekjes. Naast de ronde zijn er nu ook ovale vlekjes, en zelfs vlekjes met de vorm van een letter!” Hij liet even een stilte vallen zodat de ernst hiervan goed tot de mensen kon doordringen, want angstige mensen gehoorzamen het best. Toch klonk er dit keer wat meer geroezemoes dan anders. Kregen de mensen iets in de gaten? Dat was natuurlijk niet de bedoeling. 

“We hebben het aan de slager gevraagd, en die heeft ons verzekerd dat de balletjes supergezond zijn”, probeerde de nar. De dokter was wat in verwarring. Nieuwe soorten vlekjes? Letters? Hij had er wel eens van gehoord, maar zag ze eigenlijk zelden, want de mensen waren daar niet ziek van. En hij had altijd geleerd dat het daar nou juist om ging. Maar hoe zat het dan met die soepballetjes? Waren die balletjes wel goed voor die kleintjes? Goed, de slager had kennelijk gezegd dat het een soort toverballetjes waren. De dokter wist ook niet precies waar die kennis op gebaseerd was. Maar als je er niet teveel over nadacht, klonk het best geruststellend, dus dat was gemakkelijk.

De nar orakelde verder. “Zo’n bal is uiteraard geheel vrijwillig. Maar als je géén bal neemt, zou het wel eens slecht met je kunnen aflopen”. De dokter hoorde met stijgende verbazing aan hoe uit- en opsluiting, muilkorven en de schandpaal slechts enkele van de dreigingen waren die je boven het hoofd hingen als je de adviezen van de koning naast je neerlegde. Ouders van kinderen die niet van soepballetjes hielden, ouders die zo dom waren om eerst het recept te willen zien of gewoon zuinig waren op de gezondheid van hun kinderen zouden zwaar gestraft worden. Hun kinderen zouden tweederangs kinderen worden en mochten niet meer mee spelen. Vergeefs probeerde de dokter om de logica te vatten. Iets dergelijks had hij ooit wel eens eerder gehoord -hij wist niet precies waar en wanneer – maar hij meende zich te herinneren dat dat toen slecht was afgelopen.

Hij schudde de gedachte van zich af, want niet alle gedachten waren geoorloofd, en toog huiswaarts. Bezorgd overpeinsde hij alles wat hij gehoord had. Hij kon zich niet voorstellen dat ouders hun kind zomaar een nieuw soort soepballetje zouden laten slikken zonder te weten of dat wel goed was. En al was de koning nóg zo machtig en waren sommige mensen nóg zo goedgelovig: de dokter wist zeker dat de ouders hun kinderen altijd zouden beschermen. Zelfs tegen de koning, die werkelijk alles op alles zette om hen over te halen, ook al kostte dat wat kindergeluk. Maar toch…. helemaal gerust was hij er niet op. Eenmaal thuis kroop hij met een glas warm bessensap en een wollen slaapmuts onder de wol, want hij had er buikpijn van gekregen en rillingen. 

De hele nacht spookte het door zijn hoofd. Hij vond het aan zijn patiënten geven van gehaktballen al best lastig, maar onbekende balletjes geven aankínderen ging hem wel erg ver. Want om eerlijk te zijn: hij wist niet precies wat hij dan eigenlijk uitdeelde. Volgens de slager waren de balletjes van topkwaliteit. De nar had die woorden gekopieerd. Maar iets zat hem niet lekker. Was de slager wel te vertrouwen? Iedereen wist dat die best een flink strafblad had, al werd daar zelden over gesproken. En waarom deed de koning zo geheimzinnig over het recept? Waarom moeten kinderen nu ineens soepballetjes gaan eten? Die kregen toch bijna nooit vlekjes? Wie werd er dan eigenlijk wél beter van?

De dokter voelde zich eenzaam, want hoewel hij wist dat sommige van zijn mededokters zijn zorgen deelden, durfden weinigen dat hardop te zeggen: voor je het wist werd je voor gek versleten. De dokter vreesde dat de slagerij steeds weer nieuwe soorten soepballetjes zou gaan bedenken en de koning dan aan de nar zou opdragen om die aan te prijzen. Hoe meer hij nadacht, hoe meer zijn buik protesteerde. Ondertussen had de buikpijn zich zelfs naar zijn hart verplaatst, en hij voelde dat dit precies het soort hartpijn was dat alleen behandeld kon worden door het Goede te doen. Dat was dus zijn enige keuze: dan maar voor gek verklaard. Dus sprong de dokter vastberaden uit zijn bedstee, nam een stuk papier, doopte zijn pen in de karmozijnrode inkt en begon aan een brief.  

“Beste mededokters en lieve ouders…”, zo begon hij. Hij vond het eng, dacht aan zijn hart, maar ook aan de kinderen – en voelde dat alles klopte. Daarom schreef hij verder. “Ik begrijp best dat het lastig is, en eng: dat vind ik ook. Maar nu….” Er zat iets in zijn keel. Het smaakte naar angst. Hij pauzeerde even, slikte het weg en keek door het raam. Buiten was het vrij donker. Maar aan de hemel zag hij her en der sterren glinsteren als bemoedigende knipoogjes van onder een duistere deken. 

Hij vervolgde zijn brief. “….maar nu moet ik jullie toch echt even iets vertellen. Want voor de kinderen moeten wij allen….”. Een brok boosheid bleef in zijn keel hangen; ditmaal kostte het wat meer moeite om die weg te slikken. 

Even later werd het pantser van de nacht doorpriemd door de eerste dappere zonnestralen. Ze vielen op zijn pen en plots vormde die vurig woorden, zinnen, aanmoedigingen, verhalen – alle kwamen ze diep van binnen, en ze vulden de ochtendstilte met golven van warmte en wijsheid. Het was nog vroeg. Of beter: het was niet te laat. Zijn pen kraste. 

Her en der ontwaakten de mensen. Toen hij opnieuw naar buiten keek, zag hij dat steeds meer lichten ontstoken werden. Iemand zwaaide bemoedigend. Langzaam maar zeker droop het duister af.  

Blogdo©

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.