De herintroductie van discriminatie

I’d rather be excluded for who I include than included for who I exclude”

Rev. Eston Williams

Discriminatie is een fenomeen van alle werelden en alle tijden. Het marginaliseren of uitsluiten van een groep mensen op basis van pseudo-argumenten, vaak met een medisch sausje,  is een beproefde psychologische truc die zich, zij het in wisselende gedaante, al vaak in de  geschiedenis heeft voorgedaan. Nog niet lang geleden gaven bordjes in Zuid Afrika aan wie er wel en niet welkom waren in een restaurant, bioscoop of bij een cultureel evenement. Inmiddels gaan we blijkens de laatste persconferentie in Nederland dezelfde kant op. Hoewel we weten dat gevaccineerden evengoed besmet en besmettelijk kunnen zijn als ongevaccineerden, mogen eerstgenoemden  -zelfs met klachten-  van alles waarvan ongevaccineerden worden uitgesloten. Tot mijn stomme verbazing blijft massale verontwaardiging uit. Kan het ons niet schelen zolang het ons niet zelf raakt? Of zitten we met zijn allen te slapen? Waar in landen om ons heen massale demonstraties plaatsvinden tegen dit onmiskenbaar moreel verval lijken we het in Nederland allemaal wel best te vinden dat medemensen als tweederangs burgers naar de randen van de maatschappij worden gerommeld. Maar dit is niet het soort tolerantie waar Nederland altijd zo trots op kon zijn – integendeel, het is een onverschilligheid om je diep voor te schamen. 

De vraag waar het om gaat is of wij bereid zijn om te accepteren dat de staat haar burgers als tweederangs mensen gaat behandelen. Of staan we op voor een samenleving gebaseerd op respect en inclusiviteit? Zo niet, gaan we dan ook akkoord met discrimineren van mensen die andere risico’s nemen? Bannen we dan ook rokers uit de ziekenhuizen of mensen die te hard rijden, die te veel drinken, mensen die aan gevaarlijke sporten doen? Moeten wij nu ineens anderen de maat gaan nemen? Doen we het zelf dan echt allemaal zo perfect? 

Zeker nu blijkt dat de beloftes rond het vaccin niet worden waargemaakt valt de basis weg onder dit hele discriminatiebeleid. We blijken met zijn allen misleid te zijn, er werd een worst voorgehouden die er niet bleek te zijn. 

Het argument dat je je gewoon kunt laten testen voor toegang houdt geen stand. Ten eerste is dit voor veel mensen een grote drempel want het betreft een invasieve test. Ten tweede gaat men kosten rekenen voor het testen om zo de vaccinatiedruk op te voeren. Hiermee wordt  testen een drempel voor velen omdat het bijvoorbeeld voor een bijstandsmoeder met drie kinderen niet op te brengen is. We creëren dus een nieuwe ongelijkheid op basis van financiële draagkracht. Ten derde – en dat is nog wel het belangrijkst- is testen onder de huidige omstandigheden volslagen onzin. 

Niet alleen vertelt de PCR test helemaal niets over besmettelijkheid, maar nu het virus nog nauwelijks rondwaart is de betekenis van een positieve test bij mensen zonder klachten nagenoeg nul. Vrijwel alle positieve testen zullen er in deze situatie naast zitten. Kortom: het argument dat mensen zich aan uitsluiting kunnen onttrekken door zich te laten testen is niet houdbaar.

Dan maar vaccineren dus? Ook hier is veel tegenin te brengen. Ten eerste: de middelen zijn gebaseerd op de alfa-variant, die er nauwelijks nog is. Het is gaat dus om middelen die al achterhaald en veel minder werkzaam zijn nog voordat de onderzoeken naar hun effect en veiligheid zijn afgerond. Dat zal zo blijven, want coronavirussen muteren zeer vaak. Ten tweede: gevaccineerden kunnen nog steeds besmet worden en ook besmetting overbrengen. Hiermee onderscheiden ze zich dus niet van de ongevaccineerden, dus dit is dus al evenmin een argument voor uitsluiting. Bovendien zullen gevaccineerden besmettelijk kunnen zijn zonder symptomen (die worden door de inspuiting immers vaak wat milder). Bij ongevaccineerden is dat anders: zij zijn pas besmettelijk bij een bepaalde hoeveelheid virus. En dan zijn er vrijwel altijd ook klachten. Dus een symptoomvrije ongevaccineerde zal doorgaans niet besmettelijk zijn – van een symptoomvrije gevaccineerde kun je dat niet stellen. Toch negeert de regering al deze feiten en probeert zij haar kudde de fuik van een de  facto verplichte vaccinatie in te drijven. 

Omdat er kennelijk te veel mensen zijn die ondanks de druk toch zelf zijn blijven nadenken, neemt de overheid haar toevlucht tot  psychologische manipulatietechnieken.  

Ten eerste is daar het ‘divide et impera’. Het principe van verdeel en heers, waarvan de oude Romeinen reeds de effectiviteit ondervonden, blijkt nog altijd te werken. Zet groepen mensen tegen elkaar op, benoem iets als een probleem voor de één, draai het verhaal vervolgens zo dat de ander daar de schuld van is en ziedaar: een groot deel reageert precies zoals de opzet was  – en gaat de ander bestrijden. Het voordeel voor de heerser of regering is dat die niet het risico loopt om zelf mikpunt van kritiek te worden. 

In dezelfde groep manipulatietechnieken valt het invoeren van irrationele en onlogische regels. Hoe onbegrijpelijker de regels zijn, hoe meer het volk om duidelijkheid gaat vragen – en laat het nu net de regering zijn die die duidelijkheid biedt: testen, vaccineren, een corona-app. Logica is hier ver te zoeken: eenmaal gevaccineerd kun met je groene vinkje al hoestend en proestend overal naar binnen, dus die app is helemaal niet bedoeld om jouw gezondheid onder controle te krijgen, maar jouw data. 

Tot slot noem ik van de manipulaties nog het creëren van een gezamenlijke vijand. Ook deze truc is doorgaans zeer effectief omdat velen haar niet doorzien en zich hiervoor gemakkelijk laten gebruiken. Sla er de geschiedenisboeken op na en je vindt legio voorbeelden van situaties waarin regeringen een minderheid de schuld gaven van problemen en daarmee de aandacht van hun eigen feilen afleidde. Zo kon men onopgemerkt de eigen agenda doorvoeren. 

En ook nu wordt deze techniek door de Jonge cs. toegepast. Strijdbare slogans als  ‘samen tegen corona’ en misleidende kreten als “vaccineren doe je voor een ander” zijn er niet om een realistisch beeld te schetsen, maar om het volk een collectiviteitsgevoel op te dringen waarbij wij (lees: degenen die de overheid volgen) geplaatst worden tegenover ‘de anderen’ (in casu iedereen die het overheidsverhaal niet kritiekloos naleeft). Door moedwillig gecreëerde en in stand gehouden angst laten grote groepen mensen zich meetrekken in het dominerende narratief. Het effect is uiteindelijk dat het overheidsperspectief bijna het karakter van een religie krijgt en boven elke kritiek of discussie verheven wordt. Mensen die het alsnog wagen om kritische vragen te stellen worden aldus zonder veel plichtplegingen in het ‘verkeerde’ kamp ingedeeld, waarbij het hanteren van denigrerende en pejoratieve termen uiterst behulpzaam is om af te leiden van de inhoud van hun argumenten. Veel mensen beseffen niet dat zij worden gemanipuleerd en opgezet tegen degenen die hun belangen trachten te beschermen – en die daar vaak een flinke strijd voor hebben moeten leveren. 

De huidige situatie is niet vergelijkbaar met die van het buitensluiten van joden in de jaren ‘40, maar de gedragsdynamiek die leidt tot het creëren van een vijandbeeld, een tweedeling en de geleidelijke ontwikkeling van een negatieve en uiteindelijk vijandige identificatie van een groep medemensen is dat wel degelijk. Er zijn namelijk enkele principes die toen werden toegepast en die ook nu weer spelen. De ongekende en eenzijdige propaganda en het inzetten op irrationele maatregelen zoals een mondkapjesplicht, het testen van mensen die geen symptomen hebben, het creëren en in stand houden van angst zorgen voor een fixatie op slechts één onderwerp en leiden af van andere perspectieven. Zij zorgen ervoor dat iedereen die verder kijkt dan de reductionistische visie of die kritiek heeft op irrationele maatregelen, het verwijt krijgt niet solidair te zijn en uiteindelijk wordt ook zelfs het verhaal de wereld in gebracht dat deze groep een gevaar voor anderen zou zijn. Dit is een zeer gevaarlijk proces omdat maatschappijen zich juist ontwikkelen als zij kritische denkers omarmen en serieus nemen. Dat principe lijkt echter inmiddels geheel losgelaten. “Niet normaal maken wat niet normaal is”: de woorden van Willem-Alexander echoën nog na, maar blijken hol, betekenisloos en leeg, nu het regeringsbeleid inzet op het tegendeel. Wat zou het van lef getuigen als onze koning, tegen alle koninklijke mores in, zou protesteren tegen de manier waarop het regeringsbeleid hem in zijn hemd zet! Want inmiddels is de het kabinet, nauwelijks gehinderd door enige vorm van oppositie,  discriminatie en uitsluiting van gezonde mensen normaal aan het maken, wordt het normaal om mensen buiten te sluiten puur omdat zij hun gezondheid belangrijk vinden en zich niet willen laten injecteren met een middel dat hen mogelijk schade kan berokkenen. Het welslagen van deze destructieve en immorele strategie zal sterk afhangen van de vraag of de bevolking hiertegen in opstand komt. Gebeurt dat niet, dan zullen we verder afglijden richting een steeds meer autoritaire staat en gaan we een weg op die uiteindelijk, als we niet opstaan, leidt tot totalitarisme. 

De regering gaat ondertussen gewoon door met het nemen van maatregelen tegen mensen die niet klakkeloos achter de meerderheid aan lopen. Dat is buitengewoon verwonderlijk, want de situatie is inmiddels zo ver op haar retour dat het NIVEL, het officiële registratie instituut  voor ziekten in de eerste lijn, voor week 31 een frequentie meet van  2 per 100.000 mensen met klachten die ‘lijken op’ COVID-19 (u leest het goed: een frequentie van 0,00002). En dit gaat dan om mensen met klachten waarvan niet eens vast staat dat het om COVID-19 gaat. Het werkelijke percentage ligt dus nog lager dan die 0,002%.  Het is natuurlijk niet uit te leggen om hierop nog maatregelen te baseren die mensen in hun grondrechten en basale vrijheden beperken, zeker als we weten dat de dodelijkheid van het virus een factor 20 lager blijkt te zijn dan eerder ingeschat, dat iedereen die dat wil zich heeft kunnen laten inenten, dat een groot deel van de mensen via natuurlijke weg immuun is en dat gevaccineerde mensen evengoed besmetting kunnen overdragen. Kortom: deze regels schenden iemands grondrechten zonder deugdelijke onderbouwing (een fenomeen dat we tot dusver alleen kenden uit totalitaire staten) en zijn bovendien volstrekt ineffectief.

Weet de regering dit niet? Natuurlijk wel. De conclusie moet dan ook zijn dat er een heel ander doel is. U wordt weer gefopt. Net als met de maatregelen die tijdelijk zouden zijn, net als met de gebroken belofte dat u uw vrijheid terug zou krijgen door die eerst in te leveren. Het gaat kortom helemaal niet om de zorg, want recent is zelfs het aantal IC bedden opnieuw gereduceerd. En ondanks het gejammer over te weinig IC personeel, is er geen enkele campagne gelanceerd om mensen te werven en op te leiden. In mijn kennissenkring hebben enkele gekwalificeerde IC verpleegkundigen zich al een jaar lang beschikbaar gesteld voor werk – maar werden niet opgeroepen.  Voor zorg en preventie is geen geld, terwijl 900 miljoen over de balk gesmeten wordt ter financiering van commerciële bedrijven die zinloze PCR testen doen. Wie over dit alles nog altijd niet boos en verontwaardigd is, die zit echt heel diep te slapen. Word wakker mensen! Dit gaat echt niet meer over zorg.

Iedereen moet die spuit krijgen, veilig of niet, zelfs kinderen worden niet beschermd tegen de grillen van Minister de Jonge, die er op los liegt dat er geen enkel risico op bijwerkingen is en, geenszins gehinderd door ook maar enige kennis van zaken, gerechtvaardigde zorgen daarover bagatelliseert. Nu ook besmettelijke gevaccineerden ruim baan krijgen waar ongevaccineerden zonder klachten geweerd worden kunnen we rustig concluderen: waar dit alles ook over gaat, gezondheidszorg is het in elk geval niet! Ongevaccineerden moet het leven kennelijk zo zuur mogelijk gemaakt worden dat zij zich alsnog laten overhalen. Officieel heet dit geen dwang, maar als een zogenaamd vrije keuze ertoe leidt dat mensen in hun grondrechten worden beperkt is het niet langer vol te houden dat die dwang er niet is. Dit is niets anders dan misleiding en een 21e eeuwse vorm van Newspeak.

Toch wordt dit beleid doorgezet. Doelbewust  kiest de regering voor een beleid van uitsluiting en discriminatie. Discriminatie puur op basis van het feit dat mensen een legitieme weloverwogen keuze maken om hun lichamelijke integriteit te bewaken.

Deze ontwikkelingen vormen onmiskenbaar een glijdende schaal waarvan het eind voorlopig niet in zicht is – tenzij we massaal een grens trekken. Laten we het zomaar gebeuren dat het non-discriminatiebeginsel losgelaten wordt? Is dit de eerste stap naar het nieuwe normaal? Als dat zo is, zijn we zonder veel weerstand te bieden een destructieve weg ingeslagen. Ik moet dan ook zeggen dat ik buitengewoon verbaasd en bijzonder verontrust ben dat de herinvoering van discriminatie en uitsluiting bij zo weinig mensen tot boosheid, verontwaardiging en protest leidt. 

Ieder van ons zal nu moeten aangeven aan welke kant van deze geschiedenis  hij of zij staat. Een geschiedenis die nu, op dit moment, geschreven wordt. Want de schaal glijdt verder en verder. Wie zwijgt, maakt een keuze – en ja, die stemt toe.

Het buiten de samenleving plaatsen van burgers, het afnemen van rechten, is een morele dwaling van alle tijden, maar hopelijk gaan we geleidelijk toch door krijgen dat we in een fuik terechtgekomen zijn en dat we wederom op een kantelpunt in de geschiedenis staan. Helaas lijken velen moeilijk van de geschiedenis te leren. Er is echt maar ėėn weg terug: massale burgerlijke ongehoorzaamheid. Grootschalig, totaal en massaal protest. Weiger massaal om uitsluiting te accepteren, weiger om mensen als tweederangs burgers te behandelen. Weiger om mee te doen met festivals waar ongevaccineerden worden buitengesloten, ga alleen nog naar evenementen, winkels en restaurants die voor een principe van inclusiviteit gaan en hun rug recht houden. De bordjes ‘Alleen voor gevaccineerden’ worden vermoedelijk al geproduceerd en als wij niet opstaan dan zullen ze straks overal verschijnen. En het valt te vrezen dat het daarbij niet zal blijven: zolang protest uitblijft zullen we verder afglijden. En zullen je kinderen en kleinkinderen je ooit de pijnlijke vraag stellen: “Waar was jij, toen het aankwam op mijn toekomst?” 

Sta op, en sta voor je principes. Waar is jouw verontwaardiging? 

Blogdo©

Het sprookje van de dokter en de koning – deel 2

Enige tijd geleden schreef ik deel 1 van het Sprookje van de dokter en de koning. Recent ben ik tot de ontdekking gekomen dat dit slechts het eerste deel was, want het verhaal blijkt verder te gaan. Niet is dan logischer dan een 2e deel, al spreek ik de oprechte hoop uit dat er geen derde nodig zal zijn.

Wat vooraf ging leest u in deel 1: Als een geheimzinnige ziekte het land in zijn greep heeft, probeert de koning met angst, dwang en een snack de dokter zover te krijgen dat hij zich laat gebruiken voor een snood controleplan. Hoe is het die twee echter nadien vergaan? Heeft de koning zijn macht kunnen uitbreiden? Heeft de dokter zijn rug recht kunnen houden? Dit alles en meer leest u hieronder in het vervolg van het sprookje. 

Na het vertrek van de dokter liet de koning opgelucht zijn gouden karaf bijvullen. De Raadgever zat naast hem. “Daar zijn we mooi vanaf, majesteit!” De Raadgever wist precies wat de koning horen wilde. ”Dokters…”, schamperde de vorst. “Praat me er niet van! Sommigen blijven me aan mijn kop zeuren over moraal en het belang van hun patienten”. “Allemaal flauwekul natuurlijk”, vervolgde hij snel, want hij was liefst zelf aan het woord. “Ze moeten gewoon doen wat ik zeg. Gelukkig stellen de meesten geen lastige vragen. Maar je hebt er een stelletje bij….” Hij kneep zijn lippen tot een smal spleetje en schudde meewarig zijn hoofd. Zijn kroon, rond met uitsteeksels, wankelde. Ze zat de laatste tijd wat minder stevig dan de bedoeling was. 

“Kunnen we niet gewoon zorgen dat die eigenwijze dokters niks meer kunnen zeggen en geen adviezen meer mogen geven?”, opperde de Raadgever (de koning naar de mond praten is altijd goed voor je carrière, zo was al vaak gebleken). De koning was aangenaam verrast. “Dat is geen slecht idee!”, antwoordde hij opgewekt. “Hier, neem nog wat wijn!”. Hij had de goede gewoonte om gul te zijn als mensen zeiden wat hij wilde horen. Onderdanen met andere meningen kon je altijd maar het best de mond snoeren, maar wie gehoorzaamde en geen vragen stelde kon rekenen op een goed glas wijn, een mooie baan aan het hof en nog heel veel meer. De Raadgever liet zijn kroes nog eens vullen. Eigenlijk moest hij aan het werk in de slagerij, want hij had moeite om te voldoen aan de enorme vraag naar gehaktballen. Maar ach, de wijn aan het hof smaakte naar meer. De levering van die gehaktballen kon best even wachten: het geld was binnen en uiteindelijk was dat uiteraard het enige wat telde. Ze proostten triomfantelijk op het succes van hun plannetjes en mijmerden over wat ze nog meer konden bedenken. Nu de angst heerste lag de macht immers voor het grijpen. “We moeten zorgen dat we ook de toekomst in onze greep houden”, mijmerde de koning. De Raadgever knikte, ijverig als altijd. “Ik heb een plan!” riep hij hees. Hij raakte opgewonden bij het vooruitzicht van promotie en verslikte zich haast in een gulzige teug. Met gedempte stem mompelde de Raadgever iets tegen de koning over jeugd, controle en kleine gehaktballetjes. Zijn stem had iets begerigs terwijl hij zijn snode plan ontvouwde. De koning hing aan zijn lippen, net als een druppel bloedrode wijn. 

Ondertussen was het best gezellig in de spreekkamer van de dokter. Hij had er de hele dag met de mensen gesproken. Het was dan ook echt een práátkamer: warme verlichting en lekker zittende stoelen gaven de mensen een gevoel van veiligheid en vertrouwen. Het was misschien wel juist daarom dat hij een dag later zo schrok.

Het was vrijdag, de dag dat de koning zijn wekelijkse bericht aan het volk presenteerde. Op het plein klonk klaroengeschal: de koninklijke heraut zou aanstonds een belangrijke boodschap aankondigen. Naast hem stond de nar: een dommige maar trouwe dienaar met kekke sokken en ogen zo groot als gehaktballen. De nar had de taak om dingen aan de mensen uit te leggen die niet uit te leggen waren. Dat werkte prima, want de nar had zelf eigenlijk ook geen flauw benul van waar het over ging. Voor de koning was hij niet meer dan een nuttige sukkel, want je kon hem werkelijk álles laten zeggen. 

De stem van de heraut baste over het plein. “Natuurlijk is bijna iedereen zo verstandig geweest om een bal te nemen”, loog hij. “En natuurlijk helpen ze geweldig, precies zoals we beloofd hadden”. Hij had geen idee of dit klopte, maar dit was nu eenmaal zijn tekst. “Maar toch…” vervolgde hij, “…echt veilig ben je natuurlijk niet voor die vlekjes, ook niet met een gehaktbal achter je kiezen.” De dokter probeerde vergeefs om het verhaal te begrijpen. “Daarom heeft Uw koning in zijn grote wijsheid een nieuw decreet uitgevaardigd”, vervolgde de heraut. “Vanaf nu maken we ook kleine soepballetjes voor de kinderen. Wees gerust, iedereen komt aan de beurt, maar de meest behoeftigen eerst. De dokters zullen de gelukkigen aanwijzen”.

De dokter stond als aan de grond genageld. De kinderen! Zijn hart sloeg over, zijn keel snoerde dicht en als een donderslag was de buikpijn terug. Nou wist hij wel dat de berichten namens de koning vaak niet klopten, maar in dit geval was de boodschap wel erg onheilspellend. Langzaam drong het tot hem door: de gehaktballen, eerder bij koninklijk decreet uitgeroepen tot de Enige Oplossing voor de rode vlekjes, zouden nu ook in een kinderversie worden uitgebracht. Hij wist wat dit betekende. Of eigenlijk….hij wist het helemaal niet.

Nu was het de beurt aan de nar om de mensen te overtuigen dat de koning wederom de juiste beslissing had genomen. Dat bleek nog niet zo mee te vallen. De nar aarzelde even, want inmiddels begreep hij er zelf ook geen jota meer van. Maar, zo had de koning hem gerustgesteld: dat was ook helemaal niet nodig. Hij moest gewoon precies doen wat hem gezegd werd en zou daarvoor rijkelijk beloond worden. Per slot was dat waar het allemaal om draaide. Hij ging verder. “Er zijn namelijk ook andere soorten vlekjes. Naast de ronde zijn er nu ook ovale vlekjes, en zelfs vlekjes met de vorm van een letter!” Hij liet even een stilte vallen zodat de ernst hiervan goed tot de mensen kon doordringen, want angstige mensen gehoorzamen het best. Toch klonk er dit keer wat meer geroezemoes dan anders. Kregen de mensen iets in de gaten? Dat was natuurlijk niet de bedoeling. 

“We hebben het aan de slager gevraagd, en die heeft ons verzekerd dat de balletjes supergezond zijn”, probeerde de nar. De dokter was wat in verwarring. Nieuwe soorten vlekjes? Letters? Hij had er wel eens van gehoord, maar zag ze eigenlijk zelden, want de mensen waren daar niet ziek van. En hij had altijd geleerd dat het daar nou juist om ging. Maar hoe zat het dan met die soepballetjes? Waren die balletjes wel goed voor die kleintjes? Goed, de slager had kennelijk gezegd dat het een soort toverballetjes waren. De dokter wist ook niet precies waar die kennis op gebaseerd was. Maar als je er niet teveel over nadacht, klonk het best geruststellend, dus dat was gemakkelijk.

De nar orakelde verder. “Zo’n bal is uiteraard geheel vrijwillig. Maar als je géén bal neemt, zou het wel eens slecht met je kunnen aflopen”. De dokter hoorde met stijgende verbazing aan hoe uit- en opsluiting, muilkorven en de schandpaal slechts enkele van de dreigingen waren die je boven het hoofd hingen als je de adviezen van de koning naast je neerlegde. Ouders van kinderen die niet van soepballetjes hielden, ouders die zo dom waren om eerst het recept te willen zien of gewoon zuinig waren op de gezondheid van hun kinderen zouden zwaar gestraft worden. Hun kinderen zouden tweederangs kinderen worden en mochten niet meer mee spelen. Vergeefs probeerde de dokter om de logica te vatten. Iets dergelijks had hij ooit wel eens eerder gehoord -hij wist niet precies waar en wanneer – maar hij meende zich te herinneren dat dat toen slecht was afgelopen.

Hij schudde de gedachte van zich af, want niet alle gedachten waren geoorloofd, en toog huiswaarts. Bezorgd overpeinsde hij alles wat hij gehoord had. Hij kon zich niet voorstellen dat ouders hun kind zomaar een nieuw soort soepballetje zouden laten slikken zonder te weten of dat wel goed was. En al was de koning nóg zo machtig en waren sommige mensen nóg zo goedgelovig: de dokter wist zeker dat de ouders hun kinderen altijd zouden beschermen. Zelfs tegen de koning, die werkelijk alles op alles zette om hen over te halen, ook al kostte dat wat kindergeluk. Maar toch…. helemaal gerust was hij er niet op. Eenmaal thuis kroop hij met een glas warm bessensap en een wollen slaapmuts onder de wol, want hij had er buikpijn van gekregen en rillingen. 

De hele nacht spookte het door zijn hoofd. Hij vond het aan zijn patiënten geven van gehaktballen al best lastig, maar onbekende balletjes geven aankínderen ging hem wel erg ver. Want om eerlijk te zijn: hij wist niet precies wat hij dan eigenlijk uitdeelde. Volgens de slager waren de balletjes van topkwaliteit. De nar had die woorden gekopieerd. Maar iets zat hem niet lekker. Was de slager wel te vertrouwen? Iedereen wist dat die best een flink strafblad had, al werd daar zelden over gesproken. En waarom deed de koning zo geheimzinnig over het recept? Waarom moeten kinderen nu ineens soepballetjes gaan eten? Die kregen toch bijna nooit vlekjes? Wie werd er dan eigenlijk wél beter van?

De dokter voelde zich eenzaam, want hoewel hij wist dat sommige van zijn mededokters zijn zorgen deelden, durfden weinigen dat hardop te zeggen: voor je het wist werd je voor gek versleten. De dokter vreesde dat de slagerij steeds weer nieuwe soorten soepballetjes zou gaan bedenken en de koning dan aan de nar zou opdragen om die aan te prijzen. Hoe meer hij nadacht, hoe meer zijn buik protesteerde. Ondertussen had de buikpijn zich zelfs naar zijn hart verplaatst, en hij voelde dat dit precies het soort hartpijn was dat alleen behandeld kon worden door het Goede te doen. Dat was dus zijn enige keuze: dan maar voor gek verklaard. Dus sprong de dokter vastberaden uit zijn bedstee, nam een stuk papier, doopte zijn pen in de karmozijnrode inkt en begon aan een brief.  

“Beste mededokters en lieve ouders…”, zo begon hij. Hij vond het eng, dacht aan zijn hart, maar ook aan de kinderen – en voelde dat alles klopte. Daarom schreef hij verder. “Ik begrijp best dat het lastig is, en eng: dat vind ik ook. Maar nu….” Er zat iets in zijn keel. Het smaakte naar angst. Hij pauzeerde even, slikte het weg en keek door het raam. Buiten was het vrij donker. Maar aan de hemel zag hij her en der sterren glinsteren als bemoedigende knipoogjes van onder een duistere deken. 

Hij vervolgde zijn brief. “….maar nu moet ik jullie toch echt even iets vertellen. Want voor de kinderen moeten wij allen….”. Een brok boosheid bleef in zijn keel hangen; ditmaal kostte het wat meer moeite om die weg te slikken. 

Even later werd het pantser van de nacht doorpriemd door de eerste dappere zonnestralen. Ze vielen op zijn pen en plots vormde die vurig woorden, zinnen, aanmoedigingen, verhalen – alle kwamen ze diep van binnen, en ze vulden de ochtendstilte met golven van warmte en wijsheid. Het was nog vroeg. Of beter: het was niet te laat. Zijn pen kraste. 

Her en der ontwaakten de mensen. Toen hij opnieuw naar buiten keek, zag hij dat steeds meer lichten ontstoken werden. Iemand zwaaide bemoedigend. Langzaam maar zeker droop het duister af.  

Blogdo©

Terugreis naar de toekomst

Over enkele dagen neem ik afscheid van dit prachtige land met deze prachtige mensen. Hen zal ik missen, maar niet de beklemmende sfeer die in zo korte tijd als een donkere nevel over dit land is neergedaald. Zal die me achterna reizen? Is dit onze toekomst?

Op het moment dat ik dit blog schrijf kijk ik met enige weemoed uit over de prachtige tuin. Achter mij fluisteren grote palmen- en bananenbladeren elkaar een onverstaanbare boodschap toe terwijl zij windwiegend naar elkaar reiken als de verlangende vingers van twee geliefden. Een kwartet kikkers kwaakt zich de kelen schor, duizenden krekels trachten vergeefs hen te overstemmen. Deze warme avond zal een van de laatste in zijn in dit paradijselijke oord. Want het liep anders dan gedacht.

Het is najaar 2008 als zich tijdens een reis door Turkije een mogelijkheid voordoet om voor een zacht prijsje een kleine citrusboomgaard te kopen. We wagen de gok, en in het jaar daarna ontwerpen en bouwen we samen met een lokale aannemer een huis met als doel een mooie plek te creëren voor kinderen, familie en vrienden. De lucht was zwanger van hoop: Turkije zou bij Europa gaan komen, volkeren zouden verbroederen.

In 13 jaar werd de plek mooier en mooier. Hier hebben we samen gelachen, samen gepraat, samen gedronken en gezongen. Hier hebben we leren begrijpen dat het bijbelse paradijs ergens in deze regionen moet hebben gelegen. Het zou me dan ook niks verbazen als Adam’s ongelukkige zondeval in onze tuin heeft plaatsgevonden.

Toen kwam de verandering. De politieke signatuur in Turkije nam een grimmige wending, de president ontpopte zich tot een lichtgeraakte, zelfgenoegzame en machtsbeluste autocraat van het soort dat critici ontslaat en meningsverschillen beslecht door opponenten in de nor te smijten. Ongekende ideologische zuiveringen waren het lot van het geteisterde Turkse volk.

Uiteindelijk kon dit niet zonder gevolgen blijven en besloten we dat het tijd werd om afscheid te nemen. Op dit moment glijden op deze plek de mooie herinneringen nog eenmaal tastbaar voorbij alvorens we definitief ons paradijs verlaten.

Onze laatste reis hierheen heeft iets paradoxaals. Terwijl zij ons terug brengt in de tijd, terug naar al die mooie oude herinneringen, voelt het enigszins onverwacht ook als een reis naar de toekomst. Want wat we hier meemaken is precies datgene waar we bang voor zijn, het zijn precies die ontwikkelingen die ons naar ik vrees te wachten staan. Hier zijn ze al realiteit en krijgen we een voorproefje van hoe onze toekomst er uit kan gaan zien als we blijven zeggen dat het wel mee zal vallen en verder niets doen.

Een vriend haalt ons in de late avond van het vliegveld. Het gezicht van de altijd zo goedlachse en praatgrage man gaat dit keer schuil achter een lap stof. De energie is er uit; hij is letterlijk en figuurlijk onherkenbaar. Het zal symbolisch blijken.
In de dagen erna bezoeken we voor de laatste keer wat plaatsen waar onze herinneringen liggen, we bezoeken vrienden en genieten van het prachtige landschap. Maandenlang kende het land een beleid van lockdowns in de weekends, een van de meest zinloze maatregelen die ooit genomen zijn: het is alsof je de brandweer tijdens het blussen dagelijks een paar keer enkele uren vrijaf geeft. Hier zie en voel ik wat de maatregelen met het land en de mensen gedaan hebben. Dit land, dat voor ons symbool stond voor rust en en ontspanning maar ook voor vrijheid, dit land waarin afspraken relatief en regels van elastiek waren, waar iedereen wel een winkeltje annex restaurantje annex taxibedrijfje annex kapperszaakje had of anders toch op zijn minst een neef die elke denkbare dienst kon leveren. Al die kleine zaakjes zijn dicht, de eigenaren zitten treurig aan de straat, beroofd van hun inkomsten, berooid en perspectiefloos, bang voor de politie die alomtegenwoordig is en boetes uitdeelt aan wie het maar waagt om een van de vele onnavolgbare en

onbegrijpelijke regels te overtreden. Dit land, dit dorp, is even zinloos als genadeloos van zijn ziel ontdaan.

Buiten heeft iedereen een mondkapje op. Het lijkt erop dat de regering de COVID problematiek heeft aangegrepen om haar staande beleid van monden snoeren nu ook tastbaar vorm te kunnen geven. Vele van die kapjes zijn smoezelige, verkreukelde of zelfs gescheurde lapjes en daarmee niets minder -maar vooral niets meer- dan een van overheidswege verplicht gestelde infectiebron. Wie het waagt om zich ongemuilkorfd op straat te vertonen of zijn mondkapje in de hitte zelfs maar even af te zetten riskeert een boete ter hoogte van meer dan een gemiddeld weeksalaris. Tegelijkertijd is het hier volstrekt normaal dat alle scooter- en motorrijders zonder helm rondrijden. Er is geen politieagent die daar op let. Het is overduidelijk: dit beleid heeft natuurlijk niets met veiligheid te maken, maar alles met controledwang en het afdwingen van gehoorzaamheid door het in stand houden van irrationele angst. Als we het dorp uitrijden over een uitgestrekte verlaten landweg zien we een oude boer op een gammele tractor op het veld rijden. Met geen sterveling in de buurt en zijn mondkapje op is hij het vleesgeworden symbool van de totale absurditeit. Arme mensen: uit pure angst voor straf worden zij gedwongen tot blinde gehoorzaamheid aan zinloze maatregelen. Van een arme boer op het Turkse platteland kan ik het nog enigszins begrijpen – maar in Nederland doen velen precies hetzelfde.

Hoe onontkoombaar die maatregelen hier inmiddels al zijn zal ik al snel merken, want als ik even wat zaken moet regelen bij mijn bank wordt me resoluut de toegang geweigerd: eerst moet ik een zogenoemde HES-code aanvragen. Dat gaat heel eenvoudig, legt de bewapende beambte bij de ingang me geruststellend uit. Gewoon even via je telefoon wat gegevens invullen en hop!, je hebt een code. ‘No problem’, klinkt het hier het gebruikelijke mantra. Ik bedenk dat dit mantra inmiddels tot haar tegendeel is verworden, want werkelijk alles is inmiddels een probleem. Dat blijkt ook hier het geval, want na het invullen van alle denkbare gegevens, tot aan de namen van mijn ouders en mijn paspoortnummer toe, krijg ik de melding dat de registratie niet lukt omdat ik eerst mijn telefoon bij de Turkse autoriteiten moet laten registreren. De telefoon van de buurman brengt uitkomst en zo kan ik in elk geval de bank in.

De code blijkt inmiddels een eerste levensbehoefte om aan het leven in Turkije te kunnen deelnemen. Het relaas van mijn buurman vervult me met nog meer bezorgdheid.

‘Ik ben bang’, bekent hij.
‘Voor het virus?’ vraag ik. ‘Nee, voor de politie, voor alle regels, ik kan het niet meer volgen, maar als ik een boete krijg kan ik die niet betalen’.
Hij vertelt hoe zijn inkomsten geheel zijn weggevallen; een financieel vangnet is er niet. Hoe de school van zijn kinderen al bijna een jaar dicht is. Er is online onderwijs, maar dat is van slechte kwaliteit en een computer of laptop kan hij niet betalen. De kinderen volgen wat lessen via een oud mobieltje, maar veel stelt het niet voor. .
Hij vertelt ons over het strenge controlebeleid: overal langs de wegen staan politieposten die automobilisten aanhouden. Voor Turken is autorijden momenteel al verboden zonder speciale vooraf aangevraagde toestemming van de politie. Toeristen zijn van deze regel uitgezonderd, want tussen regel en praktijk staan lires in de weg en buitenlandse deviezen. Als je in de auto je mondkapje niet op had, dan hang je meteen al bij de controle. Vervolgens wordt de HES-code via een app gecheckt en daarmee wordt ter plekke en passant je doopceel gelicht. Je mag alleen verder als die check aantoont dat je gevaccineerd of recent

negatief getest bent en er verder geen andere zaken op je aan te merken zijn. Dat laatste uiteraard geheel ter beoordeling aan de autoriteiten – en met de lange tenen van deze regering geeft dat weinig reden tot hoop.

Eenmaal weer terug in mijn tuin, waar de wind is gaan liggen en waar palm en banaan hun toenaderingspogingen dus ook maar even gestaakt hebben, voel ik me een stuk minder onbezwaard dan normaal op deze plek. Na wat ik gezien, gehoord en gevoeld heb, word ik bevangen door een beklemmend gevoel. Over enkele dagen neem ik afscheid van dit prachtige land met deze prachtige mensen. Hen zal ik missen, maar niet de beklemmende sfeer die in zo korte tijd als een donkere nevel over dit land is neergedaald. Zal die me achterna reizen? Is dit onze toekomst?

Wellicht is het nu nog mogelijk om vijfenzeventig jaar vrijheid ook voor onze kinderen te prolongeren. Maar dan zullen we toch echt massaal moeten gaan beseffen wat er aan het gebeuren is en massaal moeten opstaan. Want we realiseren ons echt onvoldoende dat de macht ligt bij het protest van de massa.

Ik kan alleen maar hopen dat mijn reis naar huis niet een terugreis gaat worden naar de toekomst die ik hier in de bek heb gekeken.

Blogdo©

Waarom wij wappies nodig hebben

Inmiddels zijn we ruim een jaar lang verzand in een corona-gedomineerde samenleving. Aanvankelijk was er grote eensgezindheid,  zoals vaak in een situatie die als crisis wordt beleefd, want de perceptie van een gezamenlijke vijand creëert saamhorigheid. Dit alles werd nog eens versterkt door psychologisch slim gekozen oorlogsretoriek.

Inmiddels krijgt die laatste vergelijking, nota bene geïnitieerd door onze politici, her en der een wat wrange en verontrustende bijsmaak. Maatregelen als een avondklok en buitensporig gewelddadig politieoptreden dat zelfs binnen die organisatie tot onrust en opstand leidt, zelfcensuur van de media, gedraai en gekonkel van politici en zelfs het door hen ridiculiseren van mensen die het wagen om kritische vragen te stellen laten zien dat de crisis inmiddels veel fundamenteler is en veel meer om het lijf heeft dan een rondwarend virus. Vaak beperkt de discussie zich tot getallen, grafieken en R waardes, maar daarmee gaan we volledig voorbij aan enkele zeer zorgwekkende ontwikkelingen die achter het cijfermatige rookgordijn plaatsvinden. De corona problematiek wordt gebruikt als excuus voor het doorvoeren van maatregelen waarmee onze vrijheid, democratie, zelfbeschikking en privacy onderuit worden gehaald op een schaal en in een tempo dat inderdaad in vredestijd ongekend is. Velen hebben dit niet in de gaten, of wensen hiervoor de ogen te sluiten. Dat is niet onbegrijpelijk, want daarmee plaatst men zich buiten de groep en dat vergt moed; het is bovendien een onaangename vaststelling die veel zekerheden onderuit haalt en een onveilig gevoel geeft. Maar als het genegeerd wordt, zal de onveiligheid nog vele malen groter worden. 

Een van de meest verontrustende stappen hierbij is het institutionaliseren van uitsluiting. De plannen voor een vaccinatiepaspoort, een maatregel die verkocht wordt als zijnde van belang voor de volksgezondheid, is de opmaat voor discriminatie van mensen die om welke reden dan ook niet gevaccineerd willen of kunnen worden. 

Bij de huidige stand van kennis zou het beleid gericht moeten zijn op het vaccineren van mensen met een medische indicatie en van hen die dat vaccin zelf wensen. Toch komt het huidige beleid er eenvoudigweg op neer dat mensen indirect verplicht worden om stoffen in hun lichaam te laten spuiten waarvan nog heel veel onbekend is, stoffen die voorwaardelijk en voorlopig zijn toegestaan en waarvan het onderzoek nog volop in gang is. Mogelijk zijn het op termijn veilige vaccins – maar voor die vaststelling is echt meer tijd en onderzoek nodig. Het verleden geeft ons vele voorbeelden van vaccins, medicijnen en technologische innovaties die aanvankelijk goed en veilig leken, maar dat na verloop van tijd toch niet bleken te zijn. Zeker sinds uit zeer grootschalig onderzoek bleek dat  mensen zonder klachten nagenoeg geen besmettingsgevaar vormen, is het verplichten van een dergelijke invasieve ingreep ethisch niet te verantwoorden. 

Toch is dat wat er gebeurt. Dat er formeel geen sprake is van een verplichting is niets anders dan een retorisch trucje, een hedendaagse vorm van Newspeak, want zonder paspoort worden mensen feitelijk uitgesloten van normale deelname aan de maatschappij. Velen nemen het vaccin dan ook niet om medische redenen maar om weer naar een terras, restaurant of festival te kunnen. Hierbij realiseert men zich maar al te vaak niet dat  men aldus meewerkt aan het opvoeren van de druk op anderen. In een poging om sociale uitsluiting te voorkomen zwemt men aldus in de fuik. Hierdoor sluit het net zich ook om anderen en komt de dwang waaraan men wilde ontkomen juist dichterbij. Als de groep die niet het gewenste gedrag vertoont maar klein genoeg wordt, kan de overheid die mensen uiteindelijk gaan uitsluiten. Het vaccinatiepaspoort is de letterlijke legitimatie van een beleid van uitsluiting. En uitsluiting is iets waartegen ik mij mijn hele leven heb verzet. Mensen zijn sociale wezens en inclusiviteit is een fundamentele behoefte en daarmee wat mij betreft een recht voor iedereen.  De apartheid komt terug, zij het nu in een schijnbaar wat nettere verpakking: nog even en de gehate bordjes in winkels, restaurants en openbaar vervoer zijn terug van weggeweest.

Het gaat hier om enkele te onderscheiden zaken. Aan de ene kant is er de vaccinatie op zichzelf. Het gaat om een ziekte met een sterftepercentage dat net iets hoger is dan dat een van flinke influenza. Iedere vermijdbare dode is er een te veel, daarover geen misverstand, maar als we zien dat het overgrote deel van de sterfte plaatsvindt in een groep met een korte levensverwachting, dan is het onontkoombaar om te kijken naar de balans tussen voor- en nadelen, want die laatste komen vooral terecht bij jonge gezonde mensen die nog vele jaren voor zich hebben. Voor de enorme gevolgen die de maatregelen voor hen hebben en nog tot in lengte van jaren zullen doorwerken, is geen grafiek of R-getal beschikbaar. 

Aan de andere kant is er de vrijheid die mensen hebben om zich niet bloot te stellen aan onbekende stoffen die in hun lichaam worden ingebracht. Wij artsen stimuleren (vaak overigens te weinig) een gezonde leefstijl. Hieronder vallen onder andere gezond eten, niet roken en zorgen dat je niet te veel zout, suikers en andere ongezonde stoffen binnenkrijgt. Wat is dan logischer dan dat mensen consequent zijn en kritisch zijn over het onomkeerbaar laten inbrengen van een chemische stof die nog maar kort getest is en waarbij nu al meermalen vraagtekens zijn gerezen? Ik moet zeggen dat ik de vraagtekens die mensen daarbij stellen volstrekt invoelbaar en begrijpelijk vind, net zoals ik kan begrijpen dat sommigen zich zo ongerust maken over het virus dat zij juist wel kiezen voor vaccinatie en mogelijke nadelen voor lief nemen. Daar kun je van alles van vinden, maar voor beide standpunten is alle begrip op te brengen. 

Waar ik aanzienlijk minder begrip voor heb, is de polarisatie en het veroordelen van mensen met een kritische houding. Als je vindt dat mensen verantwoordelijkheid kunnen en willen dragen voor hun eigen gezondheid – en dat is volgens mij tot dusver altijd het breed gedragen uitgangspunt van onze maatschappij geweest- dan volgt daaruit dat je hen ook een daadwerkelijke keuze moet geven, ook als dat wellicht niet jouw eigen keuze zou zijn geweest. Zoiets heet respect. En het is juist dat laatste wat ik steeds meer mis in de discussie. Mensen met andere visies of kritische vragen worden in veel gevallen genegeerd, gemarginaliseerd, uitgesloten of geridiculiseerd. Het vaccinatiepaspoort is de letterlijke legitimatie van een beleid van uitsluiting, iets waartegen ik mij mijn hele leven heb verzet. Mensen zijn sociale wezens en inclusiviteit is een fundamentele behoefte en daarmee wat mij betreft een recht voor iedereen. 

Onze minister voor (of was hij nou tegen?) Volksgezondheid heeft met zoveel woorden duidelijk gemaakt geen enkel begrip te hebben voor afwijkende meningen en ging zelfs zover dat hij een volksvertegenwoordiger die het waagde om kritische vragen te blijven stellen, voor ‘wappie’ uitmaakte. Hiermee diskwalificeerde hij zich, overigens niet voor het eerst, op overtuigende wijze voor zijn functie. Zijn actie kwam neer op niets minder dan het ridiculiseren van een groot deel van de bevolking op basis van hun oprechte en invoelbare bezorgdheid. 

Dat is wat mensen in de praktijk ook ervaren. Sinds ik mij kritisch heb uitgelaten over de maatregelen die rond corona genomen zijn ben ik overspoeld door mensen die zich zelfs niet meer veilig voelen bij het alleen nog maar stellen van vrágen aan hun arts. Zij voelen zich niet gehoord, niet serieus genomen en merken dat de arts zich vaak maar matig heeft geïnformeerd en in veel gevallen niet veel meer doet dan het navertellen van het standaard verhaal dat de overheid heeft verstrekt. Terwijl wij juist veel meer waardering zouden moeten hebben voor mensen die zelf zijn blijven nadenken en de rationaliteit van alles wat er gebeurt blijven bevragen, want zij bewandelen bepaald niet de weg van de minste weerstand. 

Het is een effectieve debattruc: mensen met zorgen of vragen, mensen die niet klakkeloos het standaard verhaal wensen te slikken, kun je gemakkelijk wegzetten als wappie,  complotdenker, virusontkenner of egoïst. Argumenten heb je niet nodig: laat een van deze termen vallen en je hebt de discussie een perfecte doodsteek gegeven. Wat een wappie nou eigenlijk is en aan welke vereisten je moet voldoen om voor dat predikaat in aanmerking te komen weet eigenlijk niemand, maar dat hoef je niet te definiëren of toe te lichten. Het lijkt er zelfs op dat zo´n woord juíst een stuk handiger in het gebruik is als niemand weet wat het precies betekent, want dan kun je de term namelijk altijd gebruiken als het zo uitkomt. Daarom doe ik toch een poging tot definiëren: 

Onder de term ‘wappie’ wordt verstaan iemand die inzake COVID-19 een andere mening heeft dan degene die de term gebruikt. Het predikaat ‘wappie’ is vrijelijk inzetbaar op het moment dat de gebruiker van dit woord niet in staat noch voornemens  is om een normaal debat te voeren en kan dan worden gebruikt om over de rug van de ander de eigen onmacht te maskeren. 

Voor mensen met kritische vragen en oprechte zorgen over vaccinatie en de huidige maatregelen rondom corona heb ik alle begrip. Vaak gaat het hier om mensen die kritisch, eigenzinnig of origineel denken. Om mensen die niet altijd de gemakkelijkste wegen bewandelen maar eigen ideeën hebben, die authentiek zijn en zich niet bang hebben laten maken. Zeker, het volgen van de hoofdstroom is aanzienlijk gemakkelijker, maar de maatschappij heeft daarnaast altijd  behoefte aan en profijt van originele denkers gehad. Was het Einstein niet, die het ons al voorhield?  “If you continue to think like you’ve always thought, you’ll continue to get what you’ve always got”. Nieuwe ontwikkelingen en vooruitgang ontstaat nu eenmaal vooral dankzij mensen met dwarse en onorthodoxe ideeën en het lef om daarvoor uit te komen. 

Mensen die anders of origineel denken, of je ze nu wappies noemt of zelfdenkers, we zullen  ze hard nodig blijven hebben. Wat mij betreft blijven deze mensen  boeiend en meer dan welkom in mijn praktijk en op mijn spreekuur. Ik zal met hen het gesprek aangaan gebaseerd op mijn beste kennis en ervaring, en met name door dat laatste zal ik nooit uit het oog verliezen dat mensen zelf hun keuzes willen maken waarbij ook andere dan puur wetenschappelijke argumenten mogen meewegen. Patienten zijn geen proefpersonen, maar vóór alles zijn zij unieke medemensen met niet alleen een eigen medische voorgeschiedenis, maar ook en vooral hun unieke levensgeschiedenis,  gevoelens, emoties, relaties, waarden en prioriteiten. Het meewegen van dat geheel maakt het grote verschil tussen geneeskunde en geneeskunst, het is wat ons vak zo mooi en dankbaar maakt. Het is die attitude waardoor een goed arts náást de patiënt staat en samen met de patiënt kijkt naar wat voor hem of haar de meest passende weg is om te gaan. Het afstraffen van een beslissing die de overheid onwelgevallig is door middel van het uitsluiting van deelname aan het maatschappelijk verkeer past daar in het geheel niet bij. Het framen van eigenzinnige denkers met nietszeggende woorden die vooral de eigen onmacht moeten maskeren past evenmin.  Wappies zijn dan ook hard nodig – en van harte welkom. 

Blogdo©

Grandpa’s garden

Zuid-Afrika, de reisblogs – deel 19

Via een collega die we kenden van het ziekenhuis in Mpumalanga kregen we wat aanbevelingen voor ons verblijf in Swaziland. Onze omzwervingen leidden naar een enorme Swazische farm met de oppervlakte van een flink dorp. Ergens aan de rand van het immense gebied zetten we onze daktent op.

We besloten de eerste ochtend te beginnen met een verkenning van het gebied, en stuitten al snel op een provisorisch op een paaltje getimmerd, knoestig en verweerd houten bordje dat ons de richting aangaf met het nieuwsgierigmakende handbeschilderde opschrift ´Grandpa´s Garden´. Het is doorgaans lastig om een dergelijke bewegwijzering te weerstaan omdat zij de onverholen suggestie in zich draagt dat zij ons terug zal brengen naar een verleden waarin alles nog klopte, vredig en mooi was. Nieuwsgierig naar wat voor tuintje Grandpa had aangelegd, volgden wij dan ook de richting die het bordje ons aanwees.

De aanwijzingen leidden ons over een smal, met sappig groen gras bedekt pad, omzoomd door uitbundig groeiende struiken en bomen. Het pad was vrij aardig onderhouden -vermoedelijk was Grandpa in zijn nadagen niet meer zo vlot ter been- waardoor het een intrigerend contrast vormde met de omringende hoge en dichte begroeiing, een soort klein regenwoud dat ons steeds meer omarmde en omhelsde, alsof de aarde zelf ons wenkend uitnodigde en opnam in de warme zachtheid van haar groenfluwelen armen. Overal om ons heen verrezen majestueuze bomen. De ruimtes daartussen waren volledig opgevuld met fijnbebladerde takken van klimmend, klauterend en kronkelend struweel dat zich, nadat het eenmaal haar weg omhoog gevonden had, weer neerwaarts liet hangen, alsof het tot de ontdekking was gekomen dat er eigenlijk niets boven beneden ging. Weer andere bosbegroeiers lieten hun meterslange luchtwortels melancholisch neerwaarts hangen, lange slierten samengeklitte haren van een nonchalante hippie. Enorme palmbomen torenden boven de andere bomen uit en de immense afgestorven bladeren die zij hadden laten vallen lagen over de takken van andere bomen als grote sierlijk gedrapeerde tapijten, geduldig drogend in de ochtendzon. Zelfs vergankelijkheid was hier nog mooi en sierlijk. 

We liepen verder op zoek naar grootvaders tuintje. Na enkele kilometers waarin we ons verbaasden en verwonderden over deze prachtige idylle, verborgen in de bossen achter de farm, schijnbaar onbetreden en onaangeroerd, vroegen we ons af waarom de tuin zo ver weg lag. Moest Grandpa elke keer als hij snijboontjes, een pieper of bietje wilde oogsten deze tocht afleggen? Was de tuin misschien met opzet zo ver weg aangelegd opdat opa zijn dagelijkse rondje kon maken? Of wilde men van grootvader af zijn en stuurde men hem er nu en dan op uit, in de trant van : “pa, ga jij maar eens een kropje sla halen”, waarop men weer voor een paar uur van de oude man verlost was?

We passeerden een waterpoel. Hoog opschietend riet had de plas nagenoeg geheel in bezit genomen. Wevervogeltjes vlogen af en aan naar hun nestjes, prachtige ronde bolletjes van kleine takjes, met uiterste zorg voorzichtig gevlochten tussen de fragiele toppen van het riet. Af en aan vlogen zij, heen en weer fladderend, druk bezig om hun onderkomens voor te bereiden voor de leg in deze perfect gevormde stulpjes, bijeengehouden door vier, vijf slanke rieten stengels welke, de toppen welwillend naar elkaar toe neigend als in een permanente eerbiedige buiging voor zoveel bouwkundig vernuft, de fundamenten vormden van woninkjes op flinterdunne palen.                                                          En verder gingen we, speurend verder, naar de steeds mysterieuzer tuin. Plots stonden we stil, we keken naar het overige riet, dat duizenden parallele verticale lijnen vormde; een enorme goudbesnaarde harp, oranjegeel wiegend in de ochtendzon. We hoefden niets te zeggen, want de menselijke stem heeft een wonderlijke maar nuttige eigenschap: ze herkent belangrijke momenten, als woorden de boodschap tekort zouden doen, als ze even niet voorradig of eenvoudig ontoereikend zijn. Dan, op die bijzondere momenten, draagt ze haar taak tijdelijk over aan de rest van het lichaam, nemen gebaren haar taak als vanzelf over, de woorden vormend die de stem niet had. Dit was zo’n moment. Als jongverliefden hielden wij elkaars hand vast en elkaars adem in om maar niets te verstoren terwijl we zagen hoe de hoog en laag in het riet hangende ronde nestjes de noten vormden van de melodie die door de zachte bries doorheen de rietsnaren werd gefluisterd. 

De boodschap van Grandpa was voelbaar, want soms hebben woorden geen geluid nodig. Hier liepen we samen, al die tijd zoekend midden in de tuin, terwijl de boomkruinen hun lange haren op het ritme wiegden en we luisterden naar de veelbetekenende tekst van het rietsnaren lied. Een wevertje wiekte voorbij. Heel even zag ik zijn knipoog. 

de hoog en laag in het riet hangende ronde nestjes vormden de noten van de melodie