Zuster Ximi

Zuid-Afrika, de reisblogs – deel 3

Jenn, mijn collega uit Australië (de Zuidafrikanen spreken onze namen identiek uit, hoewel ik hen uitgebreid gedemonstreerd heb dat het zeer wel mogelijk is om de letter  J uit te spreken zonder een ‘D’ ervoor, maar ik geef het snel op, want eerlijk is eerlijk: er zijn hier grotere problemen om te tackelen) introduceert me op de afdeling chronische ziektes, vergelijkbaar met wat bij ons een interne polikliniek  is. We lopen door het doolhof van gebouwen naar een oranjebruine laagbouw gelegen aan een belommerd grasveld. Op het veld zitten drommen mensen waaronder veel moeders met peuters en kleuters, prachtige diepbruine schepseltjes waarvan ik me niet kan voorstellen dat die enig mens onberoerd laten.  Tientallen zwart-witte kraaloogjes priemen van alle kanten in mijn richting als ik naar de ingang loop. Die kindjes zijn echt onweerstaanbaar. Terwijl ik een kind over de stugge kroeskrulletjes aai dringt het tot me door dat dit kind alleen al door hier geboren te worden en op te groeien al een enorme, bijna niet meer in te halen achterstand heeft. Wat staat deze kindjes te wachten, wat heeft de toekomst voor deze kinderen in petto? Statistisch gezien wordt het HIV, malaria, mishandeling, armoede of een combinatie daarvan. Als iets je motiveert om het tij te keren zijn het wel deze kleine mensjes.  

IMG_20200130_115900
IMG_20200130_115504

Ik loop naar de ingang die haast aan het oog onttrokken wordt door een lange rij mensen die daar staan te wachten op hun registratie. We banen ons een weg naar de plaats van handeling: een spreekkamer van 2×3 meter die we delen met zuster Ximi, die door het nagenoeg voortdurend ontbreken van een dokter op die 6 vierkante meters inmiddels haar eigen koninkrijkje heeft gevestigd, weshalve zij er met verve haar eigen scepter is gaan zwaaien. Desondanks krijg ik zonder veel plichtplegingen toegang tot het grondgebied van deze in alle opzichten stevige vorstin  en kan ik er patiënten zien. 

De spreekkamer bestaat uit twee kleine tafeltjes en wat stoelen. Langs de wanden doen  een lange plank en een soort oude boekenkast dienst als apotheek. Daar op, in en onder staan dozen naast en op elkaar, met daarin medicijnverpakkingen, van pillen tegen hoge bloeddruk tot diabetes medicatie en van anti-epilepsiemedicijnen tot rubrub, een soort lokale variant van midalgan die naar ik alras  ontdek, dermate lustig wordt rondgestrooid dat ik het gevoel krijg dat die kleine potjes als een soort bonus aan iedere patiënt dienen te worden meegegeven. Ik snap het wel. Als je zo weinig te bieden hebt, kan zo’n klein potje met crème, dat zich inmiddels een status van magisch panacee heeft verworven, in elk geval troostrijk zijn voor de patiënt. Maar nadat ik mijn eerste 10 rubrubjes heb uitgedeeld , merk dat je ook het placebo-effect op de arts niet mag onderschatten. Je wilt iets doen, liefst iets waarmee de patiënt tevreden is, en beseft dat dat niet kan. Wat is dan mooier dan een potje rubrub voor iedereen? Winwin, zou ik zeggen. Ik wordt al wat pragmatischer. 

Het spreekuur doen we in nauwe samenwerking, zo  blijkt de ongeschreven regel. De nurse houdt met een half oog in de gaten wat ik allemaal doe. Logisch, want je kunt natuurlijk niet ineens je hele regentuur te grabbel gooien voor de eerste de beste blanke dokter.  Prima, ik ben hier te gast en wil me natuurlijk best een beetje aanpassen aan aan de lokale mores. Tot op zekere hoogte dan.

Als ik een patiënt op zijn verzoek  een doosje paracetamol wil geven, wordt ik met een luid commando (Hleee-lelele!) terecht gewezen. Ik begrijp dat dit een krachtige Tsanango-uitdrukking is voor iets in de trant van “ben je nou helemaal besodemieterd! ”. Daar vlieg ik kennelijk compleet uit de bocht. Paracetamol willen ze allemaal wel hebben, legt Ximi uit. Maar dat is kostbaar, en mag alleen gegeven worden als patienten echt veel pijn hebben. Ik kijk de man aan. De diepe groeven in zijn verweerde gezicht plooien zich als vanzelf in de stand van teleurstelling. De Nurse (het moge helder zijn dat vanaf dit moment een hoofdletter meer passend is) legt hem in rap Tsanango uit dat we er echt niet aan kunnen beginnen om zomaar paracetamol te verstrekken. De man mompelt nog iets van zwaar werken en pijnen maar de Nurse is onvermurwbaar. In mijn hoofd zie ik beelden van in de zon glimmende zweetsijpelende zwarte lijven. Ze hebben geen gemakkelijk leven, die mannen. Terwijl Nurse het dispuut beslecht loop ik naar de belendende kamer, laat een doosje paracetamol in mijn zak glijden en als de man de kamer verlaat stop ik het hem snel toe. Ik word niet alleen pragmatischer, maar ook subversiever. 

Blogdo©