De koning van Swaziland

Zuid-Afrika, de reisblogs – deel 18

Helemaal ingesloten tussen Zuid-Afrika en Mozambique ligt het pietepeuterige landje Swaziland. Er gaat een echte weg naar toe. Nou ja, eigenlijk is het de weg naar Mozambique, maar hij gaat toch echt ook naar dat kleine mini-landje, en dat is best knap.  Persoonlijk heb ik wel een zwak voor die kleintjes. Ze kunnen eigenlijk helemaal niet mee met de grote jongens, maar die knijpen een oogje dicht want ach, ze kunnen daar toch eigenlijk ook geen kwaad, dus laat ze maar een beetje zelf kliederen. Zo’n landje is Swaziland. Ze hebben daar een heuse eigen koning, organiseren een paar keer per jaar een feestje waarbij ze zich met zijn allen, de vorst incluis, klem drinken aan veel te lang doorgefermenteerd marulasap en daarna hoor je ze niet meer en heb je totaal geen last meer van ze. 

We passeren de grens, waar 2 ambtenaren tegelijk achter hetzelfde loket zitten. Omdat de enige handeling bestaat uit het zetten van een enkel stempel, blijft de functie van de andere beambte wat onduidelijk. Hij is waarschijnlijk reserve voor als die eerste zijn pols verstuikt. Of misschien is het omgekeerd, en zien we momenteel de Eerste Reservestempelaar aan het werk, terwijl de Hoofdstempelaar revalideert van zijn stempel-arm en her en der mondeling wat bijstuurt. We betalen aan een tweede loket een paar rand  entree, wat ze daar heel stoer ‘belasting’ noemen. Je moet jezelf natuurlijk wel serieus blijven nemen, want anders ben je weg. 

En hop! daar gaan we dan, we betreden het kleinste koninkrijkje van Afrika. We rijden over een weg waar je tol moet betalen bij zo´n loket dat net te hoog zit, en waar je aan de bestuurderskant rakelings langs moet rijden om te voorkomen dat je arm bij het betalen uit de kom raakt. Ik ga dus zoveel mogelijk links rijden, om er vervolgens achter te komen dat in dit links rijdende land natuurlijk aan het rechter loket afgerekend dient te worden. Dat vergt enig gemanoeuvreer met de veel te grote terreinwagen, die prima geschikt is om door het rulle woestijnzand, door vervaarlijke junglepaden of bergachtige rotswegen te crossen, maar het minder goed doet als je op de smalle tolstraatjes van het ene naar het andere loket moet pielen met een slagboom voor je en enkele auto´s achter je. Uiteindelijk lukt het en sta ik ongeveer tegen het rechter loket aan, want ik ben zuinig op mijn arm, en juist  als ik het raampje wil opendraaien breekt de draaihendel af en zit ik daar verbouwereerd met de losse hendel in mijn hand. En terwijl wij krom liggen van het lachen om zoveel gestuntel blijkt de bediende achter het loket de hilariek van de situatie niet helemaal in te zien en blijft hij onverstoorbaar strak voor zich uitkijken . Logisch: wie zijn land vertegenwoordigt bij het enige tolraampje dat het rijk is, heeft een belangrijke taak te vervullen en kan dan natuurlijk niet om alles gaan zitten schateren. Het autoraampje stond gelukkig enkele centimeters open op het moment dat der hendel het begaf en dat is ruim genoeg voor een biljet van 50 rand, want zo dik zijn die niet, dus in feite is er helemaal geen probleem en even later tuffen we, buikpijn van het lachen en de arm gewoon nog in de kom, vrolijk het koddige landje in. 

Als je de eerste kilometers rijdt, temidden van rustieke velden, weidse graslanden en suikerrietplantages, in een liefdevol beschermende omarming omringd door de bergen van de uitgestrekte natuurgebieden, voelen we ons bezoekers van een vredig diorama. Na een tijdje bereiken we een groot wildpark. Enkele kilometers het natuurgebied in kan er gekampeerd, worden, maar er blijkt geen enkele andere gast in het honderden vierkante kilometers grote gebied te verblijven, dus onze privacy is wel gegarandeerd. We moeten kennelijk wel uitkijken voor een keur aan vervaarlijke slangen. Verder loopt door het gebied een rivier waarin slakken wonen die een parasiet verspreiden en bovendien zitten er krokodillen in, die weliswaar  geen ziekten verspreiden, maar anderzijds weer andere onhebbelijkheden vertonen, dus wie een verfrissende duik wil nemen, doet er goed aan om vooraf alle voor- en nadelen tegen elkaar af te wegen. In ons geval valt die afweging uit in het nadeel van de rivier, maar wij vinden op een klein uurtje rijden zowaar een lodge met een eigen pool waar we even een duik kunnen nemen. Aldaar raken we aan de praat met een stel Swazilandse gezusters die ons desgevraagd inwijden in de geheimen en eigenaardigheden van dit vorstendommetje en in de Swazideologie. 

 Zo blijkt de koning hier wel een vrij centrale figuur binnen de regering te zijn. Nou ja, er is wel een parlement, en dat maakt zo nu en dan wel eens een wetje  en zo, maar erg zinvol is dat eigenlijk niet, want als zo’n wetsdocument de koning niet bevalt dan verscheurt hij het of vouwt er vliegtuigjes van, maar in elk geval gaat het dan niet door. 

De koning is verder wel een vlotte peer, zo begrijpen wij. Zo houdt hij erg van auto’s, en dan bij voorkeur niet van het model Fiat Panda. Nee, hij is een echte liefhebber. Zeg maar gerust: een verzamelaar. Zo bevat zijn collectie 72 Rolls Royces. En daarmee boert hij toch een stuk beter dan het merendeel van zijn onderdanen, waarvan tweederde onder de armoedegrens leeft en zich dus niet eens één enkele Rolls kan permitteren. Maar goed, zo is het nu eenmaal, leggen de gezusters ons geduldig uit, en daar hebben wij natuurlijk niet van terug. 

Overigens heeft de koning  het ook niet altijd even gemakkelijk. Zo dient hij zich te houden aan de wet, die onder andere  bepaalt dat de stakker elk jaar tijdens een feestelijke bijeenkomst een nieuwe bruid moet uitkiezen. Hij heeft er inmiddels bijna net zoveel als auto’s, dus die man heeft het echt niet gemakkelijk. 

Toch vragen we ons af of de bevolking zich af en toe niet eens achter de oren krabt, want een koning met 72 Rollsen met een bevolking die amper te eten heeft, dat zou best eens wat vragen kunnen oproepen. Het antwoord van de zusjes is helder en duidelijk. Omdat de koning zoveel vrouwen heeft en die vrouwen -tja, die dingen gebeuren nou eenmaal- aardig wat kinderen krijgen, is eigenlijk iedereen in Swaziland wel ergens een beetje familie van elkaar. En van de koning. En ja, je familie, daar kom je nou eenmaal niet tegen in opstand. 

Zo is en blijft Swaziland een klein, schijnbaar vredig vorstendommetje waar de koning elke ochtend weer in zijn ogen wrijft en kijkt naast welke van zijn tientallen vrouwen hij nu weer wakker geworden is, om zich vervolgens af te vragen welke Rolls hij vanochtend eens uit de koninklijke stalling zal laten voorrijden. En de bevolking, zijn familie? Die ploetert voort, blijft ja en amen knikken en komt niet in opstand. Aldus lijkt alles rustig, zodat ik concludeer dat hier eigenlijk beter kunnen spreken van Quasiland. 

Natuurlijk moeten ze het zelf regelen, maar mocht ik de koning dezer dagen tegenkomen, wat gezien de grootte van het land heel goed mogelijk is, dan zal ik hem, onder het genot van een glaasje geestverruimende Swazische marula, toch wel een heel Hollands advies geven:  Doe effe normaal joh. Ga toch fietsen. . 

Blogdo©