Kruistocht van een bidsprinkhaan

Zuid-Afrika, de reisblogs – deel 20

Een van de merkwaardige gewoontes die de mens in de loop der geschiedenis ontwikkeld heeft, is die om aan bepaalde waarnemingen of verschijnselen een voorspellende, spirituele of symbolische betekenis toe te kennen. Hoewel ik mezelf weinig geneigd acht tot een dergelijke betekenisgeving, bekroop mij voorafgaand aan de laatste nacht in de wildernis toch even een dergelijk gevoel. Dat gevoel ontstond ter plaatse van mijn linker bil en verplaatste zich in een ongewenste richting

We hadden ons kamp opgemaakt in een natuurpark en ik had nog een laatste sanitaire stop gemaakt voordat we het dak op en de tent in zouden kruipen. Juist op het moment dat ik mijn kleding weer wilde fatsoeneren voelde ik iets steken dat zich vanaf mijn bil richting edele delen leek te verplaatsen.  Nu heb ik de gewoonte om daarmee enige zuinigheid te betrachten, want daarmee kun je van die onderdelen jarenlang plezier hebben, en omdat het voelde als een soort doorn of scherpe tak, voorwerpen die beide van nature niet in dit gebied voorkomen, besloot ik toch eens na te gaan wat hiervan de oorzaak was. Bij nadere inspectie bleek dat er een grote bidsprinkhaan in mijn onderbroek zat. Het betrof een exemplaar met op zichzelf fraaie parelmoerblauwe vleugels waardoorheen ik zelfs ook een goudgroene gloed meende te ontwaren en die op zichzelf  in het avondschijnsel van de volle maan uitstekend tot hun recht kwamen, ware het niet dat appreciatie voor deze kleurenpracht op dat moment niet het eerste was wat in mij opkwam. Hoe dan ook, ik heb het nooit zo op bidsprinkhanen in mijn ondergoed, zelfs niet als ze fraaigevleugeld zijn, dus heb ik het diertje vriendelijk doch beslist geholpen om het onderpand te verlaten. 

Eenmaal hoog in mijn tent bekroop me het gevoel dat deze visitatie mogelijk een diepere betekenis had. Had de Bijbel ook niet een zwerm sprinkhanen als een der zeven plagen ingezet om een dringende boodschap over te brengen? Toegegeven, zelf ben ik niet zo heel bijbelvast en behoor ik in dit opzicht veeleer tot de (zeer) rekkelijken, maar dit was wel ook nog eens een bidsprinkhaan! Plots bekroop me een visioen:  dit kon haast niet anders dan een teken zijn, een aartsengel in vermomming, een omen met de boodschap dat het einde van het blogbare deel van onze reis aanstaande was. 

Welnu, wellicht had de sprinkhaan ook wel gewoon gelijk. Het was immers wel welletjes geweest.  Wekenlang hadden we in een uitgestrekt natuurpark gewoond, ons hoedend voor schorpioenen, giftige pofadders en andere serpentuur of moesten we nu en dan binnenblijven voor de leeuwen en hyena’s. We hebben genoten van de prachtige lodge, hebben fantastische mensen leren kennen. Ik heb ervaren hoe het is en wat het met me doet om te werken in een van de meest onderkomen ziekenhuizen van Zuid-Afrika, in perifere kliniekjes en in de riolen van de armste provincies, heb de monarchie van Swaziland doorvorst, gebeden doorgenomen met de hoeren in de townships, ben met Saskia op fototocht geweest in de shacks van Mpumalanga. Meer dan genoeg om over te schrijven. De gameparken en het woeste avontuur liggen nu achter ons. Het is game over en we gaan een heel andere wereld in, naar het kosmopolitische Cape Town. En dat is, quod est explorandum, een stuk minder blogbaar.

Het contrast, handelsmerk van Zuid-Afrika, blijkt al snel na aankomst ook hier enorm: onze vrienden in Cape Town bewonen een oogverblindend mooie villa op een berg met vanaf  de veranda (uiteraard met zwembad) en wondermooi uitzicht over de op een rotsworp afstand gelegen oceaan. Vanuit je slaapkamer zie je met wat geluk de walvissen voorbij zwemmen. Het is een totaal andere werkelijkheid dan die waar we vandaan kwamen maar, toegegeven, voor even is het geen onaangename. 

Op onze eerste ochtend wandelen we in alle vroegte langs het rotsige strand, waar de nog wat slaperige zon moeite doet om over de rand van de einder te klauteren en maangedreven golven ondanks het vroege uur onvermoeibaar bezig zijn met hun eeuwigdurende ritmische pogingen om de granieten reuzen te trotseren. 

MIsschien is Kaapstad toch wel blogbaar, schiet het door me heen. Misschien is het leven wel blogbaar en is de enige uitdaging waarvoor je gesteld wordt de opdracht om goed te observeren en je vooral  te blijven verwonderen. 

Op het strand zien we een fotograaf, omringd door kisten vol geavanceerde fotoapparatuur Een laptop, behangen met een zwart doek tegen opwaaiend stof, staat op een statief. We zijn getuige van het maken van een reclamereportage voor wat kennelijk een merk ondergoed is en waarbij niets  aan het toeval wordt overgelaten. Een stuk of zeven jonge mannen, niet toevallig zwart en wit, zien er met hun gespierde vetvrije lijven uit als halfgoden, allen gekleed in eenzelfde onderbroek. Een hippe assistent dartelt om hen heen met een enorm reflectiescherm. De jongens rennen en springen terwijl de fotograaf hen letterlijk achter de broek zit en onophoudelijk plaatjes schiet die straks wereldwijd mensen moeten verleiden om het juiste merk ondergoed aan te schaffen, dat geluk en voorspoed belooft. We denken terug aan onze eigen fotosessies vol improvisaties en beseffen hoezeer alles, echt alles, hier contrasteert. Via het huppelende reflectiescherm werpt de zon ons in een flits een veelbetekenende knipoog toe. Het wordt heet onder onze voeten. 

Ik moet terug naar de schrijftafel. Het leven is blogbaar. De kruistocht van de bidsprinkhaan ten spijt. 

Blogdo©